Einde inhoudsopgave
Verlofstelsels in strafzaken (SteR nr. 37) 2018/2.3.c
2.3.c Verlof als ‘poort’ of ‘drempel’
mr. G. Pesselse, datum 01-12-2017
- Datum
01-12-2017
- Auteur
mr. G. Pesselse
- JCDI
JCDI:ADS608318:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Köhne 2000, p. 188-189; zie ook p. 165-166, de scheiding tussen inhoudelijke beoordeling van de zaak en beoordeling van de verlofwaardigheid nog sterker wordt neerzet.
Zie de omschrijvingen van Mout 1984, p. 787; Van der Grinten 1991, p. 147; Simon 1996, p. 85.
Handelingen II 1992/93, 88-6604 (Van Traa, PvdA, voorstel 22735).
Twee lange citaten uit Stamhuis 2004 illustreren dit: “Hoewel als revolutie gekenschetst kan deze vernieuwing [toegangsbeoordeling door kleine kamer Cour de cassation, zie paragraaf 2b, GP] toch nog niet begrepen worden als een totale karakterverandering van de cassatiefase. Met name wordt bestreden dat hiermee een verlofstelsel is ingevoerd. Het is niet zo, aldus Perdriau, dat elke binnenkomende zaak aan een voortoetsing onderworpen wordt, waarbij beslist wordt of het dossier mag passeren of niet. Voor de verkorte afdoening selecteert men alleen bepaalde gevallen in een vroeg stadium van de behandeling, maar preludeert geenszins op het vervolg voor de overige zaken. Die zijn niet zonder meer ‘binnen’.” (p. 447); en enkele pagina’s verder: “Er is dus in beide stelsels [Duitse en Franse ‘cassatie’, GP] een verschijningsvorm van selectie van zaken te zien. Men heeft er echter (nog) steeds van afgezien dit keuzeproces in de vorm van een verlofprocedure te gieten. Wat we zien is geen fasering binnen de cassatieprocedure, maar een nuancering van de aandacht nadat de zaak in volle omvang gepresenteerd is. De uitspraak na verkorte afdoening kan evenzeer een beslissing ten gronde zijn als de uitkomst van de volledige behandeling, hetgeen in een verlofstelsel uit de aard der zaak niet het geval is.” (p. 453).
Het belang dat Köhne hecht aan de aard van de toegangsvoorwaarden wordt weerspiegeld in zijn opvattingen over de procedurele kenmerken van een verlofstelsel. Hij merkt op: “Vanwege de eigen aard van [de verlofmaatstaf] vindt verlofverlening doorgaans plaats in een bijzondere procedure. Dit bewerkstelligt een scheiding tussen de beoordeling van de zaak ten gronde en de beoordeling van de verlofwaardigheid daarvan. Dat is gunstig omdat bij verlofverlening andersoortige procedurele waarborgen van belang zijn dan bij de hoofdprocedure.”1 Door de scheiding tussen verlofonderzoek en inhoudelijk onderzoek niet als essentieel kenmerk maar als bijkomstigheid in een verlofstelsel te presenteren, zet Köhne zich af tegen een – derde – procedurele benadering van de term verlofstelsel.
In deze procedurele benadering wordt de behandeling van een beroep gezien als bestaand uit twee separate stadia. In de eerste fase wordt besloten of toegang tot beroep wordt verleend, in de tweede fase wordt het beroep daadwerkelijk inhoudelijk beoordeeld, aldus bijvoorbeeld Mout en Van der Grinten.2 In dit verband spreken sommigen beeldend van een ‘drempel’ of ‘poort’, bijvoorbeeld Kamerlid Van Traa: “[Een verlofstelsel] bestaat eruit dat hoger beroep mogelijk is indien op dat vonnis verlof is gegeven door de [beroepsrechter]. […] Het verlof opent alleen de poort naar het hoger beroep.”3 Ook in het eindrapport van het project Strafvordering 2001 is deze fasenbenadering herkenbaar.4 Een duidelijke omschrijving van het verschil tussen de twee stadia wordt veelal niet gegeven. Gaat het om de organisatie van de feitelijke behandeling, de dwingende volgorde waarin beslissingen moeten worden genomen, of iets anders? Duidelijk is wel dat deze procedurele wijze van definiëren afwijkt van een definitie die is georiënteerd op discretionaire bevoegdheid of enig toegangscriterium.