Einde inhoudsopgave
Privaatrechtelijke handhaving van mededingingsrecht (R&P nr. 174) 2009/7.5
7.5. aharmonisatie van het recht betreffende de niet-contractuele aansprakelijkheid
mr.dr. E.J. Zippro, datum 29-09-2009
- Datum
29-09-2009
- Auteur
mr.dr. E.J. Zippro
- JCDI
JCDI:ADS576380:1
- Vakgebied(en)
Mededingingsrecht / Toezicht en handhaving
Verbintenissenrecht / Schadevergoeding
Voetnoten
Voetnoten
Van Gerven 2002, p. 74-75.
Van Gerven 2002, p. 75. Het aangehaalde citaat uit het afscheidscollege van Mok luidt: 'Nu dienen systemen en begrippen ertoe om ons te dienen en niet om ons te regeren. Dat neemt niet weg dat, wanneer men begrippen of systemen te zeer uitholt, ze niet meer in staat zijn hun dienende functie te vervullen. Men moet dus wel behoedzaam te werk gaan, wanneer men, ter wille van een doel als consumentenbescherming (hoe wenselijk dit op zichzelf mag zijn), gaat afwijken van een centraal gedeelte van het commune recht, als hoedanig men de bedoelde regels van verbintenissenrecht wel mag aanduiden.' Zie Mok 1997, p. 14.
HvJ EG 17 september 2002, zaak C-253/00 (Mufioz/Frumar), Jur. 2002, p. 1-7289, NI 2003, 702, m.nt. MRM.
Van Dam 2006, nr. 1217, p. 345.
Vgl. Van Dam 2006, nr. 1217, p. 345; Betlem 2005, p. 126-148.
Deze bepaling geldt ook voor de schade die door de Europese Centrale Bank of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt. Zie de derde alinea van art. 288 EG.
Van Gerven 2002, p. 72-73. Zie HvJ EG 19 mei 1992, gevoegde zaken C-104/89 en C-37/90 (Mulder), Jur. 1992, p.1-3061; HvJ EG 27 januari 2000, gevoegde zaken C-104/80 en C-37/90 (Mulder), Jur. 2000, p. 1-203.
Zie over (lid)staatsaansprakelijkheid wegens schending van Europees gemeenschapsrecht: Meijer 2007.
HvJ EG 30 september 2003, zaak C-224/01 (Ktibler), Jur. 2003, p. 1-10 239, NJ 2004, 160 m.nt. MRM; HvJ EG 9 december 2003, zaak C-129/00 (Commissie/Italië), Jur. 2003, p. 1-14637, NJ 2004, 582 m.nt. MRM; HvJ EG 13 juni 2006, Jur. 2006, p. 1-5177, NJ 2006, 543 m.nt. MRM.
HvJ EG 19 november 1991, gevoegde zaken C-6/90 en C-9/90 (Francovich), Jur. 1991, p. 1-5357.
R.o. 35.
Van Gerven 2005, p. 6 en zijn verwijzing naar HvJ EG 5 maart 1996, gevoegde zaken C-46/ 93 en C-48/93 (Brasserie du Pêcheur en Factortame), Jur. 1996, p. 1-1029. Zie ook HvJ EG 4 juli 2000, zaak C-352/98 P (Bergaderm), Jur. 2000, p. 1-5291.
Asser/Hartkamp 34* (2008), nr. 50.
Asser/Hartkamp 34* (2008), nr. 57 e.v.; GvEA EG 16 november 2006, zaak T-333/03 (Masdar), Jur. 2006, p. II-4377. Zie ook GvEA EG 23 november 2004, zaak T-166/98 (Dolianova), Jur. 2004, p. II-3991, waar een actie uit ongerechtvaardigde verrijking nog werd afgewezen omdat het EG-Verdrag deze mogelijkheid niet zou bieden.
Zippro 2005a, p. 201.
Zie ook Van Gerven 2005, p. 6 en zijn verwijzing naar r.o. 31 in Courage/Crehan, waar het HvJ EG oordeelt dat 'overeenkomstig een beginsel dat in de meeste rechtsstelsels van de lidstaten wordt erkend en door het Hof reeds is toegepast (zie arrest van 7 februari 1973, Commissie/Italië, 39/72, Jurispr. blz. 101, punt 10) (...) een justitiabele niet [mag] profiteren van zijn eigen onrechtmatig handelen, wanneer dit is komen vast te staan.' Het HvJ EG leidt dit beginsel af uit de algemene beginselen welke de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben. Zie ook Van Gerven 2002, p. 73, voetnoot 30.
HvJ EG 2 augustus 1993, zaak C-271/91 (Marshall II), Jur. 1993, p. 1-4367; HvJ EG 4 december 2003, zaak C-63/01 (Evans), Jur. 2003, p. 1-14 447, NJ 2004, 303.
Zie voor een nadere uitwerking Asser/Hartkamp 34* (2008), nr. 104.
Asser/Hartkamp 34* (2008), nr. 105. Hartkamp noemt ook nog het algemeen beginsel van misbruik van recht en het algemene beginsel van de goede trouw (uitgezonderd de beperkende werking daarvan). Zie Asser /Hartkamp 34* (2008), nr. 106 en nr. 107.
Zie voor de verkrijging van schadevergoeding wegens schending van het mededingingsrecht in de (destijds nog) 25 EU-lidstaten de rechtsvergelijkende studie in het Ashurst-rapport: Waelbroeck, Slater & Even-Shoshan 2004. Zie voor een meer algemeen rechtsvergelijkend werk voor wat betreft de niet-contractuele aansprakelijkheid in de EU bijvoorbeeld Van Gerven, Lever & Larouche 2000.
HvJ EG 5 maart 1996, gevoegde zaken C-46/93 en C-48/93 (Brasserie du Pêcheur en Factortame), Jur. 1996, p.1-1029, r.o. 42. In deze zaak ging het overigens wel om het verschil tussen aansprakelijkheid van de gemeenschap in verhouding tot aansprakelijkheid van een lidstaat. Het HvJ EG overwoog: 'Anderzijds mogen de voorwaarden voor de aansprakelijkheid van de staat wegens aan particulieren veroorzaakte schade ten gevolge van een schending van het gemeenschapsrecht, behoudens indien bijzondere omstandigheden zulks rechtvaardigen, niet verschillen van die welke gelden voor de aansprakelijkheid van de Gemeenschap in vergelijkbare situaties. De bescherming van de rechten die de particulieren aan het gemeenschapsrecht ontlenen, kan namelijk niet verschillen naargelang het orgaan dat de schade heeft veroorzaakt, een nationaal dan wel een communautair karakter heeft.' Zie ook HvJ EG 4 juli 2000, zaak C-352/98 P (Bergaderm), Jur. 2000, p. 1-5291, r.o. 41..
Het arrest Courage heeft niet alleen betekenis voor de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht, maar ook voor de harmonisatie van het recht betreffende de niet-contractuele aansprakelijkheid.1 In Francovich ging het nog om het onrechtmatig handelen van de overheid, in Courage gaat het om het onrechtmatig handelen van particulieren. Volgens Van Gerven
'komt het erop aan deze harmonisatie - of ze nu gebeurt via rechtspraak van de Gemeenschapsrechter dan wel, en liever omdat ze dan grondiger kan worden aangepakt, via een verordening of richtlijn van de Gemeenschapswetgever - zoveel mogelijk te laten gebeuren aan de hand van beginselen die de lidstaten gemeen hebben.'
Hij wijst onder aanhaling van een citaat van het afscheidscollege van Mok op het feit dat
'dergelijke beginselen moeten helpen vermijden (...) dat specifieke handhavingsregels voor het mededingingsrecht al te veel "gaan afwijken van een centraal gedeelte van het commune recht", het verbintenissenrecht, waardoor fundamentele "begrippen of systemen" al te zeer worden uitgehold en "niet meer in staat zijn hun dienende functie te vervullen".'2
Vanuit het bredere perspectief van de privaatrechtelijke handhaving van gemeenschapsrecht in het algemeen — en dus niet alleen voor de handhaving van het mededingingsrecht — is de zaak Muñoz van belang.3 In deze zaak begint een handelaar een civiele procedure tegen een concurrent ter handhaving van gemeenschapsrechtelijke regels over voedselkwaliteit. Het HvJ EG oordeelt dat deze regels van gemeenschapsrecht in een civiele procedure moeten kunnen worden afgedwongen. Deze zaak lijkt de poort te openen naar meer privaatrechtelijke handhaving van gemeenschapsrecht in situaties waarbij het gemeenschapsrecht rechten aan particulieren toekent.4 Dit impliceert dat het nationaal recht remedies dient te bieden voor de privaatrechtelijke handhaving van het gemeenschapsrecht. Met name dient dan gedacht te worden aan schadevergoedingsacties en verbods- en gebodsacties. Deze remedies dienen effectief te zijn en niet-discriminatoir (het gelijkwaardigheidsbeginsel). Dit kan zelfs met zich meebrengen dat het nationaal recht soms anders geïnterpreteerd dient te worden dan tot nu toe het geval was en dat sommige regels van nationaal recht niet toegepast dienen te worden en vervangen moeten worden door regels van Europees aansprakelijkheidsrecht.5
Artikel 288 lid 2 EG bepaalt dat de Gemeenschap inzake de niet-contractuele aansprakelijkheid de schade die door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies is veroorzaakt, moet vergoeden overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben.6 Op het gebied van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de gemeenschap ex artikel 288 EG is reeds een flinke hoeveelheid rechtspraak van het HvJ EG verschenen. In de jurisprudentie betreffende artikel 288 lid 2 EG is ook een aanzienlijk aantal 'aanduidingen te vinden (...) omtrent de voor vergoeding in aanmerking komende schadeposten, de bewijslast en de bewijskracht van bewijsmiddelen.'7
Het op basis van artikel 288 lid 2 EG gevormde leerstuk van de aansprakelijkheid van de Gemeenschap is tevens ten grondslag gelegd aan de door het HvJ EG zonder concrete verdragsrechtelijke basis ontwikkelde lidstaataansprakelijkheid (Francovich).8De lidstaataansprakelijkheid is in Francovich ingevoerd als sanctie op het niet tijdig implementeren van een richtlijn en is later uitgebreid tot wetgeving in strijd met het EG-Verdrag en rechtspraak van de nationale hoogste rechters in strijd met het gemeenschapsrecht.9 Ook de Francovich jurisprudentie van het HvJ EG kan worden gezien als een voorbeeld van de toepassing van aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad wegens schending van het gemeenschapsrecht.10 Hoewel de aansprakelijkheid van de lidstaten geen zelfstandige procedure in het EG-Verdrag is, heeft het HvJ EG in Francovich bepaald dat lidstaten tot schadevergoeding verplicht zijn indien de rechten van particulieren worden aangetast als gevolg van een schending van het gemeenschapsrecht die aan een lidstaat kan worden toegerekend. Het beginsel dat de lidstaat aansprakelijk is voor schade die particulieren lijden als gevolg van schendingen van het gemeenschapsrecht die de lidstaat kunnen worden toegerekend, is volgens het HvJ EG inherent aan het systeem van het EG-Verdrag.11 Ook bij aansprakelijkheid van de lidstaten zullen de voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid moeten worden vastgesteld overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben.12 Het HvJ EG overweegt in Brasserie du pêcheur/Factortame (r.o. 27-29):
'Bij ontbreken van bepalingen in het Verdrag die uitdrukkelijk en precies de gevolgen regelen van schendingen van het gemeenschapsrecht door de Lid-Staten, staat het aan het Hof, bij de uitoefening van de hem door artikel 164 van het Verdrag toegekende opdracht de eerbiediging van het recht te verzekeren bij de uitlegging en de toepassing van het Verdrag, over een dergelijke vraag uitspraak te doen volgens de algemeen erkende interpretatiemethoden, met name met een beroep op de algemene beginselen van het communautaire rechtsstelsel en eventueel op de algemene beginselen die de rechtsstelsels van de Lid-Staten gemeen hebben. Overigens verwijst artikel 215, tweede alinea, van het Verdrag naar de algemene beginselen welke de rechtsstelsels der Lid-Staten gemeen hebben, in verband met de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap wegens schade veroorzaakt door haar instellingen of door haar personeelsleden in de uitoefening van hun functies.
Het aldus in artikel 215 van het Verdrag uitdrukkelijk geformuleerde beginsel van de niet-contractuele aansprakelijkheid van de Gemeenschap is slechts een uitdrukking van het algemeen beginsel dat deel uitmaakt van de rechtsstelsels van de Lid-Staten, dat een onrechtmatige handeling of verzuim de verplichting meebrengt de veroorzaakte schade te vergoeden. Deze bepaling brengt tevens de verplichting voor de overheidsinstanties tot uitdrukking om de in de uitoefening van hun functies veroorzaakte schade te vergoeden.'
Het HvJ EG heeft bij het aanvaarden van aansprakelijkheid van particulieren voor schending van gemeenschapsrecht aansluiting gezocht bij de jurisprudentie over de lidstaataansprakelijkheid en de aansprakelijkheid van de Gemeenschap.13 Overigens is artikel 288 lid 2 EG niet beperkt tot het recht inzake onrechtmatige daad, maar kunnen ook andere gronden van niet-contractuele aansprakelijkheid worden erkend, zoals aansprakelijkheid ter zake van rechtmatige daad en aansprakelijkheid op grond van ongerechtvaardigde verrijking en zaakwaarneming.14
Concluderend zijn er drie vormen van niet-contractuele aansprakelijkheid op grond van schending van het Europees recht te onderscheiden.15 De artikel 288 EG aansprakelijkheid van de gemeenschap en de Francovich aansprakelijkheid van de lidstaten die werken in de verhouding jegens de overheid (verticale aansprakelijkheid) en de Courage/Crehan aansprakelijkheid die werkt tussen private partijen (horizontale aansprakelijkheid). Deze drie vormen mogen dan wel verschillend zijn, het HvJ EG en het GvEA EG zullen veel begrippen en concepten bij de drie vormen van niet-contractuele aansprakelijkheid in dezelfde betekenis gebruiken. Zie § 7.4.4.
In zowel de twee vormen van overheidsaansprakelijkheid als bij de aansprakelijkheid die werkt tussen private partijen zullen de voorwaarden voor niet-contractuele aansprakelijkheid moeten worden vastgesteld overeenkomstig de algemene beginselen welke de rechtsstelsels van de lidstaten gemeen hebben.16 Tevens kunnen de algemene beginselen van gemeenschapsrecht die van privaatrechtelijke aard zijn een rol spelen. Zo moet schade veroorzaakt door schending van het gemeenschapsrecht worden vergoed (ongeacht of de schade veroorzaakt is door de Gemeenschap, de lidstaten of particulieren), impliceert volledige schadevergoeding de vergoeding van rente17 en bestaat het recht op terugvordering van een onverschuldigde betaling.18 Daarnaast kent het gemeenschapsrecht een algemeen beginsel dat zich verzet tegen het ontvangen of mogen behouden van een ongerechtvaardigde verrijking.19 Met behulp van het reeds bestaande rechtsvergelijkend onderzoek zijn deze algemene beginselen ook bruikbaar bij de privaatrechtelijke handhaving van het Europees recht in het algemeen en het Europees mededingingsrecht in het bijzonder.20 Dit zou in beginsel tot meer eenheid kunnen leiden tussen de rechtsstelsels van de 27 lidstaten in de EU en de rechtspraak van het HvJ EG en het GvEA EG.
De criteria die zijn af te leiden uit de jurisprudentie betreffende de artikel 288 EG aansprakelijkheid en de Francovich aansprakelijkheid, zullen in ieder geval ook, 'behoudens indien bijzondere omstandigheden zulks rechtvaardigen',21 van toepassing kunnen zijn bij de niet-contractuele aansprakelijkheid van particulieren wegens schending van het mededingingsrecht (de situatie in Courage/Crehan). Deze criteria zouden door de communautaire wetgever als uitgangspunt moeten worden gebruikt bij het opstellen van een verordening of richtlijn met specifieke bepalingen van burgerlijk recht en burgerlijk procesrecht ten behoeve van de privaatrechtelijke handhaving van het mededingingsrecht. Zie ook mijn afsluitende conclusie in § 11.16.