Einde inhoudsopgave
De niet-uitvoerende bestuurder in een one tier board (VDHI nr. 168) 2020/VII.2.3
VII.2.3 Collectieve aansprakelijkheid
mr. N. Kreileman , datum 01-08-2020
- Datum
01-08-2020
- Auteur
mr. N. Kreileman
- JCDI
JCDI:ADS242679:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Voetnoten
Voetnoten
Dat het uitgangspunt van collegiale verantwoordelijkheid geen weerslag heeft op de aansprakelijkheid van art. 6:162 BW, bevestigde de Hoge Raad in 2018 nog in HR 30 maart 2018, NJ 2018, 330 m.nt. Van Schilfgaarde; JOR 2018/234 m.nt. Kraaipoel (TMF).
Zie hierover Schuijling & Kortmann 2017, p. 400-402.
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 8 en 14 (MvT); en Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 4 en 15-16 (MvA).
Zie Kamerstukken II 2008/09, 31 763, 3, p. 8 (MvT); en Kamerstukken I 2010/11, 31 763, C, p. 5-6 en 15 (MvA).
Zie bijvoorbeeld art. 2:14 en art. 2:16 BWC/BW-SM/BW-BES; en art. 59 lid 1 en art. 61 LVBA.
Zie expliciet art. 2:18 lid 10 BWC/BW-SM/BW-BES. Idem Frielink 2017, p. 102.
Aldus ook Frielink 2017, p. 75. Zo zijn art. 2:14 BWC/BW-SM/BW-BES en art. 49 lid 1 LVBA te beschouwen als de Caribische pendant van art. 2:9 BW. De tegenhanger van art. 2:138/248 BW is te vinden in art. 2:16 BWC/BW-SM/BW-BES en art. 61 LVBA. De aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad is in Caribisch-Nederland – net als in Nederland – geregeld in art. 6:162 BWA/BWC/BW-SM/BW-BES.
Onder anderen Cadbury 2002, p. 56; Calkoen 2012, p. 110; Dumoulin, Ondernemingsrecht 2019/78; Reed, Company Lawyer 2006, 27(6), p. 170; Strik 2010, p. 116; en Verdam, Ondernemingsrecht 2018/117.
Zie Sections 171-178 van de Companies Act 2006. De duty of care, skill and diligence is te vinden in Section 174 van de Companies Act 2006.
Aldus ook onder anderen Arnold 2017, p. 341; Bruce 2018, p. 5; Calkoen 2012, p. 109-110; Coyle 2019, p. 21; Davies & Worthington 2016, p. 480; Goodison 2017a, p. 70; Hellinx, Company Lawyer 2017, 38(1), p. 22; Keay 2014, p. 11 en 257; Strik 2010, p. 113; en Sweeney-Baird, Company Lawyer 2006, 27(3), p. 76.
Evenzo Calkoen 2012, p. 422; Coyle 2019, p. 21; en Strik 2010, p. 113.
Een director zal namelijk wel aansprakelijk zijn indien zijn nalatigheid tot gevolg heeft dat hij niet aan de duty of care, skill and diligence heeft voldaan. Zie bijvoorbeeld Dorchester Finance Co Ltd v Stebbing [1989] BCLC 498; en Lexi Holdings Plc v Luqman [2009] 2 BCLC 1 CA.
Heeft het beginsel van collegiaal bestuur ook zijn weerslag op de wettelijke aansprakelijkheidsregelingen? Deze vraag is niet eenduidig te beantwoorden. Art. 6:162 BW bijvoorbeeld, valt onder de noemer van individuele aansprakelijkheid. Dit houdt in dat de eiser moet stellen en zo nodig bewijzen dat de aangesproken bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld en dat hem daarvan persoonlijk een ernstig verwijt treft.1 Ik laat het uitgangspunt van individuele aansprakelijkheid in het vervolg van deze paragraaf rusten. Ik kom hier in § VII.4 op terug. De aansprakelijkheid op grond van art. 2:9 BW, art. 2:69/180 BW, art. 2:138/248 BW en art. 2:139/249 BW is daarentegen collectief van aard. Deze grondslagen gaan uit van een hoofdelijke aansprakelijkheid van alle leden van het bestuurscollectief. De collectieve verantwoordelijkheid kan dus resulteren in een collectieve aansprakelijkheid.2
In een one tier board is dat niet anders.3 Ondanks dat de taken behoren te worden verdeeld over de uitvoerende en de niet-uitvoerende bestuurders, staat ook daar het uitgangspunt van collectieve aansprakelijkheid centraal. Dit betekent dat de niet-uitvoerende bestuurder in beginsel hoofdelijk aansprakelijk is indien ten minste één bestuurder de aansprakelijkheidsnorm heeft overschreden.4 In beginsel, want de niet-uitvoerende bestuurder heeft de mogelijkheid zich aan aansprakelijkheid te onttrekken.5
In Caribisch-Nederland is collectieve aansprakelijkheid eveneens het uitgangspunt.6 Net als in Nederland, hebben de niet-uitvoerende bestuurders daar als bestuurder te gelden.7 Vermeldenswaardig is dat de Arubaanse regeling één uitzondering maakt op dit uitgangspunt. Op grond van art. 51 lid 5 jo. 61 LVBA worden de niet-uitvoerende bestuurders in geval van aansprakelijkheid in faillissement niet aangemerkt als bestuurders. Ik kom hier in § VII.3.4.1 op terug.
Door het concordantiebeginsel zijn de normen waaraan het handelen van bestuurders wordt getoetst in het Koninkrijk materieel gelijk.8 De aansprakelijkheidsregelingen die gelden in het Caribische deel van het Koninkrijk, nemen daarom geen prominente plaats in in dit hoofdstuk. Zij komen slechts waar relevant aan de orde.
Ook in Engeland zijn de executive en non-executive directors tezamen verantwoordelijk voor het vervullen van de bestuurstaak.9 Op iedere executive en non-executive rusten dezelfde rechten en plichten, waaronder de duty of care, skill and diligence.10 De executives en non-executives zijn dan ook onderworpen aan dezelfde normen voor aansprakelijkheid.11
De aansprakelijkheid van de directors is evenwel niet collectief, maar individueel van aard. Dit betekent dat een director slechts aansprakelijk is indien hij zelf de aansprakelijkheidsnorm heeft overschreden.12 Anders dan in (Caribisch-) Nederland, is een director dus niet hoofdelijk aansprakelijk voor normoverschrijdend gedrag van een andere director. Een voorwaarde is dan wel dat hem geen nalatigheid kan worden verweten.13 In § VII.4.1 en § VII.4.2 ga ik nader op de aansprakelijkheidspositie van de Engelse non-executive director in.