Einde inhoudsopgave
Kavelruil (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel Recht) 2014/2.III.A.4
4. Onderdeel w (oud)
mr. J.W.A. Rheinfeld, datum 31-01-2014
- Datum
31-01-2014
- Auteur
mr. J.W.A. Rheinfeld
- JCDI
JCDI:ADS479858:1
- Vakgebied(en)
Ruimtelijk bestuursrecht / Grondexploitatie
Voetnoten
Voetnoten
Net als bij onderdeel v het geval is, geldt ook voor onderdeel w dat het een vrijstelling is ter versterking van de economische structuur van de landbouw en niet, zoals bij de meeste andere vrijstellingen het geval is, ter verbetering van de landbouwstructuur. Aldus D. Albregtse, P. Kavelaars, R. van Ovost, H. van der Veen, G. Venema, Evaluatie van vrijstellingen voor de landbouw in de overdrachtsbelasting, p. 24. en 28.
Aldus S.B.J. van Heijst, ‘Vrijstellingen overdrachtsbelasting in de agrarische sfeer per 1 januari 1998 (2)’, p. 149, alsmede J.G van Straaten, Wegwijs in de overdrachtsbelasting, onderdeel 7.26.
Besluit Minister van Financiën 27 maart 1999, nr. VW 98/410M, Stct. 1999, 59.
Tezamen met onderdeel v is op 1 januari 1998 een tweede nieuwe vrijstelling geïntroduceerd: onderdeel w.1 In artikel 15, lid 1, onderdeel w is een vrijstelling opgenomen ter verbetering van de bedrijfsstructuur in de glastuinbouw. Een glastuinbouwer die zijn bedrijf verplaatst, krijgt een vrijstelling van overdrachtsbelasting voor de verkrijging van landerijen – daaronder begrepen de rechten van erfpacht of beklemming daarop – waarop hij zijn bedrijf voortzet, onder voorwaarde dat de grond die hij afstaat, wordt verkregen door een glastuinder die daardoor bijdraagt aan de verbetering van de structuur van zijn eigen bedrijf. Van structuurverbetering is slechts sprake als de verkrijging van de afgestane grond is vrijgesteld van overdrachtsbelasting op grond van artikel 15, lid 1, onderdeel q (oud), WBR.2 Naast deze eis dient ook voldaan te zijn aan de naburigheidseis van artikel 15, lid 1, onderdeel q (oud), WBR, hierna in onderdeel C.l.d nader te bespreken. Er is derhalve sprake van een directe koppeling met de eis ‘verbetering van de landbouwstructuur’. In onderdeel C.l.e zal deze eis nader worden onderzocht. Tevens zal dan worden bekeken of en zo ja in hoeverre er overeenkomsten zijn tussen deze eis en de ‘objectieve verbeteringseis’ uit artikel 4 Landinrichtingswet respectievelijk artikel 16 WILG.
De vrijstelling is beperkt tot de waarde van de landerijen die de vertrekkende glastuinbouwer afstaat. Deze methodiek moge, na bespreking van de onderdelen t en v, inmiddels bekend voorkomen. De ‘Regeling vrijstelling overdrachtsbelasting hervestiging glastuinbouwbedrijven’3 bevatte een nadere omschrijving van de gevallen waarin de vrijstelling gold.