Vormfouten
Einde inhoudsopgave
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/1.2.2:1.2.2 Maatschappelijke onvrede
Vormfouten (SteR nr. 19) 2014/1.2.2
1.2.2 Maatschappelijke onvrede
Documentgegevens:
Reindert Kuiper, datum 30-04-2014
- Datum
30-04-2014
- Auteur
Reindert Kuiper
- JCDI
JCDI:ADS620274:1
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Terechtzitting en beslissingsmodel
Strafprocesrecht / Voorfase
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met de in de jaren ‘70 indringender geworden aandacht voor het werk van de strafrechter zwol ook de kritiek daarop aan. Onrechtmatigheden en termijnoverschrijdingen bestaan evident in soorten en maten: zij lopen van geval tot geval in aard en ernst sterk uiteen. Datzelfde geldt voor de belangen die in concrete zaken kunnen staan tegenover de met toepassing van ingrijpende reacties te dienen belangen: het kan gaan om het zwaarwegende belang van de samenleving en de nabestaanden bij de inhoudelijke berechting van de verdachte van een moord, of om het minder gewichtige belang van inhoudelijke berechting van een snelheidsovertreding. Wanneer dergelijke verschillen onvoldoende in de afweging worden betrokken, ontstaat gemakkelijk onevenredigheid tussen de vormfout en het daarop toegepaste rechtsgevolg. De rigide toepassing van ingrijpende reacties op vormfouten begon dan ook al snel te wringen: het besef drong zich op dat een op het concrete geval toegesneden belangenafweging nodig is om een evenredige uitkomst te bereiken.
In de rechtspraak kwam een terugtrekkende beweging op gang. Schending van de redelijke termijn hoefde eind jaren tachtig niet meer te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring, maar kon met strafvermindering worden gecompenseerd. Ook werd voor niet-ontvankelijkverklaring wegens onrechtmatige opsporing een maatstaf geformuleerd waarmee de lat echt heel hoog kwam te liggen. De toepassing van bewijsuitsluiting werd op verschillende manieren ingeperkt, onder meer door de ontwikkeling van het zogenaamde Schutznormvereiste.
In de samenleving was ondertussen echter het beeld ontstaan dat de strafrechter aan de lopende band criminelen de dans liet ontspringen wegens onbenullige vormfouten. Dat beeld was natuurlijk ongenuanceerd, maar achteraf beschouwd ook weer niet van elke grond ontbloot (zie par. 2.4).