Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/2.3.5.2.1
2.3.5.2.1 Wanneer prejudiciële vragen?
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291238:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EU 18 december 2014, NJ 2015/410, punt 176 (Advies 2/13).
Art. 267, tweede alinea VWEU.
Art. 267, derde alinea VWEU.
HvJ EG 22 oktober 1987, zaak 314/85, NJ 1989, 728 (Foto-frost).
Voorbeelden zijn HvJ EG 23 april 2009, zaak C-460/07, V-N 2009/25.17 (Puffer) en HvJ EU 26 oktober 2010, zaak C-97/09, V-N 2010/58.20 (Schmelz).
Art. 267, tweede alinea VWEU.
Art. 267, derde alinea VWEU.
Zie bijv. HvJ EU 15 januari 2013, zaak C-416/10, NJ 2013/254, r.o. 66 (Jozef Križan e.a.).
F. Ambtenbrink en H.H.B. Vedder, Recht van de Europese Unie, Den Haag: Boom juridisch 2017, p. 283.
M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Kluwer: Deventer 2020, p. 44. Het Hof van Justitie is terughoudend met het doen van uitspraak bij beschikking. Dit kan naar mijn mening niet los gezien worden van de afhankelijkheid van het Hof van Justitie van de bereidheid van de nationale rechter om een prejudiciële vraag voor te leggen alsmede de omstandigheid dat het Hof van Justitie de hoogste nationale rechter op het hart heeft gedrukt niet te snel aan te nemen dat het stellen van een prejudiciële vraag niet nodig is (zie paragraaf 2.3.5.2.2).
Zie bijv. HvJ EU 15 januari 2013, zaak C-416/10, NJ 2013/254, r.o. 69 (Jozef Križan e.a.).
Het Hof van Justitie vervult een belangrijke rol om de eenheid van de uitleg en toepassing van de Btw-richtlijn en de Btw-uitvoeringsverordening te waarborgen. Op grond van art. 267, eerste alinea, onderdeel b VWEU is het bevoegd bij wijze van prejudiciële beslissing een uitspraak te doen over de geldigheid en de uitlegging van de Btw-richtlijn en de Btw-uitvoeringsverordening. Het Hof van Justitie beschouwt de bevoegdheid van de nationale rechter om een prejudiciële vraag te stellen als de ‘hoeksteen van het rechterlijk systeem zoals het is opgezet door de EU-verdragen’.1
Indien in een procedure voor een nationale rechter een vraag rijst over de geldigheid van (een bepaling in de) de Btw-richtlijn of de Btw-uitvoeringsverordening, dan kan de nationale rechter het Hof van Justitie verzoeken hierover uitspraak te doen.2 De hoogste nationale rechterlijke instantie, waarvan de uitspraak niet vatbaar is voor hoger beroep, is hiertoe verplicht.3 Het is een nationale rechter niet toegestaan om (een bepaling in de) de Btw-richtlijn of de Btw-uitvoeringsverordening zelfstandig ongeldig te verklaren. Is de nationale rechter – de ‘lagere’ rechter incluis – van oordeel dat (een bepaling in de) de Btw-richtlijn of de Btw-uitvoeringsverordening in strijd is of zou kunnen zijn met hoger unierecht dan moet hij een prejudiciële vraag stellen.4 Prejudiciële procedures waarin de geldigheid van de Btw-richtlijn aan de orde is zijn tamelijk zeldzaam5, terwijl procedures over de geldigheid van de Btw-uitvoeringsverordening vooralsnog ontbreken. De meeste prejudiciële procedures inzake de btw betreffen uitleggingsvragen. Wanneer in een procedure voor een nationale rechter een vraag rijst over de uitleg van de Btw-richtlijn of Btw-uitvoeringsverordening kan de nationale rechter een prejudiciële vraag stellen.6 De hoogste nationale rechterlijke instantie, waarvan de uitspraak niet vatbaar is voor hoger beroep, is hiertoe verplicht.7
Het is de nationale rechter die bepaalt of een prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie relevant en noodzakelijk is voor de beslechting van een geschil.8 Het Hof van Justitie gaat in een prejudiciële procedure van die relevantie en noodzakelijk uit. Alleen indien de prejudiciële vraag geen betrekking heeft op de uitleg van het unierecht of indien de prejudiciële vraag hypothetisch van aard is of voor de beslechting van het geschil niet relevant is, is de prejudiciële vraag niet-ontvankelijk.9 Dit laat zien dat de deur van het Hof van Justitie voor prejudiciële vragen wijd open staat. Het Hof van Justitie maakt – al dan niet na een conclusie van de A-G – zijn beslissing kenbaar in een arrest. Wanneer een gestelde prejudiciële vraag identiek is aan een vraag waarover het Hof van Justitie reeds uitspraak heeft gedaan, wanneer het antwoord op een dergelijke vraag duidelijk uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie kan worden afgeleid of over het antwoord op een prejudiciële vraag redelijkerwijs geen twijfel kan bestaan, kan het Hof van Justitie – na de A-G te hebben gehoord – beslissen om bij met redenen omklede beschikking uitspraak te doen.10 Een dergelijke beschikking is een uitspraak die minder uitgebreid gemotiveerd is dan een arrest.11 Bij een beschikking is het derhalve zaak te letten op de rechtsregel die bevestigd wordt. Na beantwoording van de prejudiciële vraag in een arrest of een beschikking door het Hof van Justitie is de nationale rechter gehouden om aan de hand hiervan uitspraak te doen.12