Einde inhoudsopgave
Impassezaken en verantwoordelijkheden binnen het enquêterecht (IVOR nr. 69) 2010/6.3.3.2
6.3.3.2 De hoofdregel uit artikel 150 Rv
mr. F. Veenstra, datum 28-10-2010
- Datum
28-10-2010
- Auteur
mr. F. Veenstra
- JCDI
JCDI:ADS463144:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Conclusie (overwegingen 3.18-3.20) van A-G Timmerman bij HR 8 april 2005, JOR 2005, 119 (Laurus, m.nt. Brink).
Vergelijk art. 21 Rv, dat bepaalt dat partijen verplicht zijn de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Bovendien geldt een substantiëringsplicht en bewijsaandraagplicht. De eerste plicht houdt in dat eiser in de dagvaarding de tegen de eis aangevoerde verweren en de gronden daarvoor vermeldt (art. 111 lid 3 Rv). De tweede plicht houdt in dat eiser de bewijsmiddelen waarover hij kan beschikken, vermeldt alsook de getuigen die hij kan doen horen ter staving van de aldus betwiste gronden van de eis (art. 111 lid 3 Rv). Op gedaagde rust ingevolge art. 128 lid 5 Rv eveneens een bewijsaandraagplicht. Met beide verplichtingen wordt beoogd een efficiënte procesvoering te dienen door het geschil eerder boven tafel te krijgen. Zie hierover uitgebreider: Stein/Rueb 2009, hoofdstuk 5 en 6; Hugenholtz/Heemskerk 2006, hoofdstuk IV.
Omschrijving door Stein/Rueb 2009, p. 127. Vergelijk Stein/Rueb 2009, p. 97: eiser moet ingevolge art. 111 lid 2 onder d Rv in de dagvaarding de door hem onrechtmatig geachte gedragingen en de feiten waaruit de schuld van de gedaagde blijkt, omschrijven, zó dat het door hem gevorderde logisch uit de aangevoerde gronden voortvloeit.
Asser 2004, p. 52.
Deze regeling is gebaseerd op de zogenaamde ‘objectiefrechtelijke leer’: telkens dient uit de toepasselijke regel van materieel recht te worden afgeleid welke elementen nodig zijn om het ingeroepen rechtsgevolg teweeg te brengen en hoe de bewijslast moet worden verdeeld. Vergelijk: Asser 2004, p. 60; Hugenholtz/Heemskerk 2006, p. 84; Stein/Rueb 2009, p. 127. Zie over de objectiefrechtelijke leer uitgebreider Asser 2004, p. 49 e.v.
Vergelijk ook art. 128 lid 2 Rv, waarin is bepaald dat de conclusie van antwoord ‘met redenen moet zijn omkleed’. Zie ook hetgeen is opgemerkt in noot 142.
Ingevolge art. 128 lid 3 Rv dient de gedaagde alle excepties en zijn antwoord ten principale tegelijk naar voren te brengen, op straffe van verval van de niet aangevoerde excepties en, indien niet ten principale is geantwoord, van het recht om dat alsnog te doen. Dit wordt aangeduid als de plicht tot ‘concentratie van verweer’. Uit HR 22 oktober 1993 NJ 1994, 374, r.o. 3.3 (m.nt. Ras) volgt dat de in art. 128 lid 3 bedoelde excepties die verweren betreffen welke er toe strekken dat de rechter aan wie het geschil is voorgelegd, op grond van regels van processuele aard niet tot een beoordeling van de rechtsbetrekking in geschil zelf kan komen. Gedaagde doet er verstandig aan ook meteen verweren ten principale aan te voeren in de conclusie van antwoord. Reden hiervoor is dat ook hij sinds 2002 het risico loopt dat partijen geen gelegenheid meer krijgen voor repliek en dupliek (vergelijk art. 131 en 132 Rv). Zie over een en ander: Hugenholtz/Heemskerk 2006, p. 67 e.v.; Stein/Rueb 2009, p. 108 e.v.
HR 23 oktober 1992, NJ 1992, 813, r.o. 3.2. De HR voegt hier nog aan toe dat de wederpartij dan ook slechts met het bewijs van de door haar gestelde feiten kan worden belast op de feitelijke grond dat eiser zijn stelling, behoudens tegenbewijs, reeds afdoende heeft bewezen, dan wel op een van de gronden vermeld aan het slot van art. 177 (oud) Rv (vergelijk ook art. 150 Rv). Zie over deze uitspraak ook Rutgers 1993.
A-G Verkade in zijn conclusie (overweging 4.2) bij HR 15 december 2006, LJN AZ1083. Vergelijk Asser 2004, p. 82: de regels voor de verdeling van het bewijsrisico zijn gegeven voor het proces: ‘zij betreffen de vraag wie in het proces het risico draagt dat de rechter niet is staat is om een bepaald feit als vaststaand aan te nemen (bewezen te achten).’
Stein/Rueb 2009, p. 127.
Het laatste wordt met name duidelijk in geval een ‘non liquet’, waarmee wordt gedoeld op de situatie dat de rechter geen enkele duidelijkheid kan verkrijgen over de feiten die zijn gesteld omdat zij niet kunnen worden bewezen (bijvoorbeeld omdat er geen bewijsmiddelen voorhanden zijn waarmee dit kan gebeuren), terwijl het tegendeel evenmin kan worden bewezen. De partij die het bewijsrisico draagt, verliest in dit geval het proces: de bewijslastregel vormt hiervoor de legitimatie. Zie hierover Asser 2004, p. 53.
Hugenholtz/Heemskerk 2006, p. 86; Haasjes 2007, p. 24. Zie voor mogelijke redenen voor omkering van de bewijslast Asser 2004, p. 83-84.
Het handelen van bestuurders wordt toegerekend aan het bestuur. Levert eiser het bewijs ten aanzien van één bestuurder, dan staat daarmee vast dat het bestuur ernstig verwijt tekort is geschoten resp. kennelijk onbehoorlijk heeft bestuurd.
Tegenbewijs is bewijs tegen vaststaande feiten die moeten worden bewezen door eiser, die wat dit betreft het bewijsrisico draagt; zie de volgende paragraaf.
202. De hoofdregel uit art. 150 Rv is dat de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door hem gestelde feiten of rechten, de bewijslast draagt van die feiten of rechten. Aan deze bewijslast gaat de stelplicht vooraf. De partij die bijvoorbeeld een vordering op grond van art. 6: 162 BW instelt, dient gemotiveerd1 de feiten te stellen die noodzakelijk zijn om daaruit de elementen van onrechtmatige daad, inclusief de schuld van de gedaagde, af te kunnen leiden.2 Met andere woorden, eiser dient aan te voeren dat die feiten zich hebben voorgedaan en hij dient duidelijk te maken dat en waarom de rechter die feiten als vaststaand moet aannemen en aan zijn beslissing ten grondslag moet leggen.3
De regeling van de bewijslastverdeling uit art. 150 Rv4 wordt manifest indien de gedaagde gemotiveerd5 verweer voert tegen de stellingen van eiser. De betwisting houdt meestal in dat door gedaagde andere feiten worden gesteld waaruit de onjuistheid blijkt van de stellingen van de eiser.6 De Hoge Raad heeft in 1992 op heldere wijze het uitgangspunt verwoord: ‘Ingevolge de hoofdregel van art. 177 (de voorloper van art. 150 Rv, FV) is de partij die zich beroept op rechtsgevolgen van door haar gestelde feiten belast met het bewijs van die feiten. Uit deze regel kan niet worden afgeleid dat de wederpartij de feiten moet bewijzen die zij stelt ter motivering van haar betwisting van de eerder bedoelde feiten.’7 Hierbij dient te worden opgemerkt dat het begrip bewijslast twee betekenissen heeft. Het duidt in de eerste plaats op de op eiser rustende last om in de procedure, ten overstaan van de rechter, bewijs te leveren van zijn stellingen: de bewijsleveringslast. Het duidt voorts op het bewijsrisico. In de woorden van advocaat-generaal Verkade: ‘De partij die de bewijslast heeft, draagt het risico dat de gestelde feiten niet bewezen kunnen worden.’8 Zie in soortgelijke zin Rueb: ‘[I]s aan de eiser opgedragen de door hem gestelde feiten te bewijzen en slaagt hij daarin niet dan wordt zijn vordering afgewezen; werd de bewijslast op de gedaagde gelegd en slaagde deze er niet in de door hem gestelde feiten te bewijzen dan wordt de vordering van de eiser toegewezen.’9 Het draait in art. 150 Rv uitindelijk om het bewijsrisico: wie draagt het risico dat de gestelde feiten niet kunnen worden bewezen?10
De beide citaten impliceren dat de bewijslast kan worden verplaatst en het bewijsrisico niet per def initie rust op (alleen) de eiser.11 Fraaie voorbeelden hiervan vormen art. 2: 9 BW en art. 2: 138(248) lid 3 BW. Eiser kan volstaan met te stellen en bewijzen dat het bestuur dan wel een van de bestuurders ernstig verwijtbaar tekort is geschoten in een behoorlijke vervulling van zijn taak respectievelijk dat zijn handelen kennelijk onbehoorlijk bestuur oplevert. Slaagt eiser hier in, dan leidt dit – gesteld dat ook aan de andere voorwaarden is voldaan – in beginsel tot hoofdelijke aansprakelijkheid van alle bestuurders.12 Een afzonderlijke bestuurder kan aansprakelijkheid ontlopen indien hij bewijst dat de onbehoorlijke taakvervulling door het bestuur niet aan hem is te wijten (lees: hem niet kan worden toegerekend omdat hij niet verwijtbaar tekort is geschoten in de vervulling van zijn taak) en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen daarvan af te wenden. Hij levert in deze situatie géén tegenbewijs13, maar levert bewijs volgens de hoofdregel van art. 150 Rv, ter zake waarvan hij (de bestuurder) de bewijsleveringslast en het bewijsrisico draagt. Anders gezegd, de gedaagde bestuurder stelt in zijn verweer feiten waarmee hij niet de door eiser gestelde feiten bestrijdt, doch het verweer ‘berust op feiten die, als zij vaststaan, meebrengen dat de door de [eiser] gestelde feiten (...) geen rechtsgevolgen meebrengen.’14 Dit wordt ook wel aangeduid als een ‘zelfstandig’ of ‘bevrijdend’ verweer. Het bewijs van de aan het zelfstandig verweer ten grondslag gelegde feiten heeft betrekking op deze feiten en betreft dus een zelfstandig feitencomplex.