Einde inhoudsopgave
Recht, plicht, remedie (R&P nr. CA25) 2022/3.4.2.2
3.4.2.2 Gebiedsverboden
W.Th. Nuninga, datum 23-06-2022
- Datum
23-06-2022
- Auteur
W.Th. Nuninga
- JCDI
JCDI:ADS657547:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. Rb. Amsterdam 1 november 1984, ECLI:NL:RBARN:1984:AH0497, KG 1984/336; Pres. Rb. Amsterdam 12 juli 1984, ECLI:NL:RBAMS:1984:AH0372, KG 1984/211; Pres. Rb. Amsterdam 11 oktokber 1984, ECLI:NL:RBAMS:1984:AH0470, KG 1984/309.
HR 24 mei 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8901, NJ 1987/1, m.nt. C.J.H. Brunner & E.A. Alkema (Gebiedsverbod).
Rb. Den Haag, 19 december 2006, ECLI:NL:RBSHE:2006:AZ5352 (Stichting Welzijn voor Moslims in Nederland/Een Imam).
Rb. Utrecht 26 augustus 2009, ECLI:NL:RBUTR:2009:BJ6044, JHV 2009/225; Rb. Gelderland 4 augustus 2016, ECLI:NL:RBGEL:2016:4939; Rb. Amsterdam 1 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1297.
Rb. Amsterdam 1 maart 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:1297 (De hond van de buren), r.o. 4.1.
Daarbij mag nog wel worden aangetekend dat het verbod zich wellicht niet hoefde uit te strekken tot alle honden; het houden van een poedel had het herstel van het buurmeisje wellicht niet bemoeilijkt.
Rb. Rotterdam 12 oktober 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:8081 (Stichting Ouderenhuisvesting Rotterdam/Gedaagde).
Voor een vergelijkbaar betoog ten aanzien van voorzorgplichten zie Van der Wiel 2017, p. 16; Van der Wiel 2007, p. 55.
Al gebeurt dat lang niet altijd, zie naast het hiervoor genoemde voorbeeld ook: Rb. Overijssel 4 november 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:4371 en Hof Den Haag 8 november 2016, ECLI:NL:GHDHA:2016:3751. In beide gevallen ging het om een contactverbod van een man die zich bedreigend had uitgelaten jegens zijn ex-partner en hun kinderen. In beide gevallen werd de beoordeling afhankelijk gemaakt van een belangenafweging alleen. Opvallend genoeg leidde dat tot toewijzing van het bevel in het geval waarin de bedreiging beperkt was gebleven tot verbale bedreiging (het Overijsselse vonnis) en een weigering daarvan in het geval waarin de gedaagde in het verleden strafrechtelijk veroordeeld was tot poging tot doodslag (het Haagse arrest). Nadrukkelijkere afstemming op het materiële recht zou deze veroordelingen inzichtelijker en – hopelijk – consistenter maken.
Voorzieningenrechters in de jaren ‘70 en ’80 waren bereid de pleger van (seksuele) intimidatie uit preventie-overwegingen de toegang tot bepaalde gebieden te ontzeggen.1 In het licht van slachtofferbescherming is dat wenselijk: hoe verder de pleger van het slachtoffer vandaan bleef, des te kleiner de kans op recidive. In 1985 accepteerde de Hoge Raad de mogelijkheid gebiedsverboden op te leggen in kort geding, maar alleen in die gevallen waarin van de gedaagde gezegd kan worden dat hij verplicht was de eiseres te behoeden voor contact.2 In die context lijkt dat een hele onsympathieke houding: waarom zou de pleger niet per definitie kunnen worden verboden in de buurt van het slachtoffer te komen? Toch is het vasthouden aan de overeenstemmingseis van de Hoge Raad bij gebiedsverboden een goede zet. In gevallen van seksueel misbruik of intimidatie zal zo’n mijdingsplicht vrijwel altijd kunnen worden aangenomen. Het lijkt weinig vergezocht dat de pleger van misbruik een ongeschreven plicht heeft het slachtoffer de ruimte te geven op eigen voorwaarden het contact te zoeken of niet. Dit soort verboden zullen ook bij hantering van de eis eenvoudig kunnen worden toegewezen. Daarbuiten kan ze echter wel de nodige nuance aanbrengen doordat ze de rechter dwingt te vragen of de gedaagde ook echt verplicht is het gevorderde gedrag te vertonen.
Een goed voorbeeld is een geschil dat speelde voor de Rechtbank Den Haag.3 De Stichting Welzijn voor Moslims in Nederland vorderde dat een imam met wie zij gebrouilleerd was de toegang tot de moskee werd verboden en werd verboden om zich binnen een straal van 500 meter rondom die moskee te begeven. De Rechtbank wees de eerste vordering toe, maar de tweede af. Dat is ook juist: alleen ten aanzien van het eerste verbod kon een rechtsplicht (respecteren van het eigendomsrecht) gevonden worden.4 Een ander voorbeeld, met omgekeerd resultaat, is een zaak uit 2017 waar een buurvrouw werd verboden honden in haar huis te hebben. Zij had eerder een hond gehad die het buurmeisje had aangevallen. Gelet op het feit dat de confrontatie met honden het emotionele herstel van het meisje ernstig bemoeilijkte was de rechtbank van oordeel dat van eiser mocht worden verwacht dat zij geen honden in huis nam tot eiser en zijn dochter verhuisd waren.5 Ook dat lijkt juist: het is niet ongebruikelijk dat wij de plicht hebben schade van anderen te beperken of herstel te bespoedigen.6
Dat steeds weer zoeken naar een rechtsplicht van gedaagde jegens eiser klinkt heel bezwaarlijk voor de rechter, maar is vaak zo lastig nog niet. Neem bijvoorbeeld het geval waarin een man die zich meerdere malen agressief had gedragen jegens het personeel van de zorginstelling waar zijn moeder verbleef. De rechtbank Rotterdam verbood hem de toegang tot een bepaald deel van een complex, maar stond hem wel toe zijn moeder te blijven bezoeken.7 Dat klinkt als een typische ‘maatwerkveroordeling’, maar dit lijkt me volledig in lijn met de gevaarzettingsleer. Voor mensen die zichzelf aantoonbaar slecht in de hand hebben, lijkt een rechtsplicht conflictsituaties te vermijden niet moeilijk te formuleren.8 Kennelijk vormen zij een gevaar voor anderen en het past bij het Nederlands burgerlijk recht dat soort gevaren zo veel mogelijk te minimaliseren. Omgekeerd geldt dat degene die het slachtoffer zouden kunnen worden van dat gevaar ervan uit moeten kunnen gaan dat hen niets aangedaan wordt. Het nadrukkelijker in lijn brengen van de veroordeling met de onderliggende rechtsplicht voorziet de veroordeling van een betere rechtvaardiging en maakt het voor partijen duidelijker waar zij hun pijlen op moeten richten. Gelet op het feit dat het vaak zo lastig niet is zo’n plicht te formuleren, verdient het aanbeveling dat steeds te doen.9