Einde inhoudsopgave
Medezeggenschap en spanning tussen WOR en Ondernemingsrecht (VDHI nr. 117) 2013/2.4.2.2
2.4.2.2 De Hoge Raad van Arbeid
Mr. J.J.M. van Mierlo, datum 01-08-2013
- Datum
01-08-2013
- Auteur
Mr. J.J.M. van Mierlo
- JCDI
JCDI:ADS484994:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Medezeggenschapsrecht
Ondernemingsrecht / Bijzondere onderwerpen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Helderman 2004, p. 50-51, waar ook te lezen valt dat Aalberse vond dat werkgevers en werknemers een grotere rol moesten spelen bij de totstandkoming van sociale wetgeving, omdat zij als belanghebbenden beter dan de Tweede Kamer in staat zouden zijn daarover een gefundeerd oordeel te vellen.
Deze was min of meer noodzakelijk omdat in 1922 een nieuw artikel 78 in de Grondwet was opgenomen, dat bepaalde dat instelling en werkwijze van vaste colleges van advies bij wet geregeld dienden te worden.
‘Advies van den Hogen Raad van Arbeid over vraagpunten betreffende bedrijfsorganisatie, enz.’.
Zie onder meer Van den Bergh 1924 p. 60 e.v.; en Van Rhijn 1969, p. 19. De Duitse wet bepaalde in § 1 dat in alle ondernemingen waar in de regel ten minste 20 werknemers werkzaam waren een ‘Betriebsrat’ ingesteld diende te worden, die de gemeenschappelijke belangen van alle werknemers zou behartigen en die diende tot ondersteuning van de werkgever bij het nastreven van de doeleinden der onderneming. De wet kende de Betriebsrat in § 70 zelfs het recht toe op vertegenwoordiging in de Aufsichtsrat (vergelijkbaar met de Raad van Commissarissen).
Een belangrijk deel van de (voorbereidende) werkzaamheden van de Hoge Raad van Arbeid vond plaats in daartoe in het leven geroepen commissies (Vgl. artikel 6 lid 1 van het KB van 4 oktober 1919). Naast negen commissies voor samengevoegde bedrijfstakken, kende de Raad drie commissies voor algemene vraagstukken, waaronder Commissie XII voor bedrijfsorganisatie, collectieve contracten en aanverwante vraagstukken. Voorzitter van de commissie was Tweede Kamerlid dr. W.H. Nolens.
Anders dan Van den Bergh (1924, p. 181) lijkt te suggereren en Verburg (2007a, p. 29) lijkt te onderschrijven, is de aanduiding ondernemingsraad niet in 1924 door Van den Bergh, maar in 1922 door de Commissie van XII geïntroduceerd.
De term bedrijfsraad treft men op bladzijde 20 van het preadvies, nader uitgewerkt op p. 26 e.v., en op p. 14-15 van het daarop volgende advies van de Hooge Raad (Vgl. ook Windmuller 1970, p. 90- 94). Zie over de Bedrijfsradenwet van 1933 hierna par. 2.4.2.4.
Zie p. 56 van het preadvies.
In de toelichting op dit voordrachtsrecht valt te lezen dat de voorstanders daarvan toch enigszins terughoudend zijn. Ten eerste vrezen zij dat de toegevoegde waarde van een dergelijke commissarisplaats met name gelegen zal zijn in het vleien van de werknemers. Ten tweede zou een dergelijke bepaling een wat vreemde eend in de bijt zijn, aangezien de commissaris niet meer en niet minder zou zijn dan ‘de finantieele controleur van de aandeelhouders’. Een kwalificatie die, in het licht van recente discussie over de rol van de raad van commissarissen bij met name beursgenoteerde ondernemingen, op zijn minst genomen opvallend genoemd mag worden.
P. 57 van het preadvies. Ik signaleer een zekere gelijkenis met het huidige art. 27 lid 3 WOR.
Op 10 december 1918 kondigde minister-president Ruys de Beerenbrouck de instelling aan van een Hoge Raad van Arbeid. De instelling zou ter hand worden genomen door de net aangetreden minister Aalberse van Arbeid. Die had zich in 1903 al een pleitbezorger betoond van een grotere rol van werkgevers- en werknemersorganisaties bij de totstandkoming van sociale wetten en bij de uitvoering van sociaal beleid.1 Op basis van een Koninklijk Besluit van 4 oktober 1919, Stb 591, werd op 14 februari 1920 de Hoge Raad van Arbeid geïnstalleerd. De Raad, die werd voorgezeten door de Minister van Arbeid (artikel 2 lid 1 van het KB), bestond in eerste instantie uit 45 leden: 13 werkgeversvertegenwoordigers, 13 werknemersvertegenwoordigers, 13 wetenschappers en 6 hoofdambtenaren van het Departement van Arbeid. De samenstelling van de Raad vertoont overeenkomsten die van de in 1950 opgerichte Sociaal Economische Raad (SER), de in de art. 1 leden 2 en 3 van het KB vastgelegde taak laat zich vergelijken met die van de in 1945 opgerichte Stichting van de Arbeid:
‘2. De Raad dient den hoofden der Departementen van Algemeen Bestuur op hunne aanvraag van advies over bij hunne Departementen ontworpen regelingen omtrent onderwerpen, welke de belangen van den arbeid raken en over andere aangelegenheden op het gebied van den arbeid, welke bij hunne Departementen worden behandeld.
3. In opdracht van Onzen Minister van Arbeid ontwerpt de Raad regelingen, als in het vorige lid bedoeld.’
Bij wet van 4 december 1927, Stb 407 kreeg de Hoge Raad van Arbeid een wettelijke basis,2 en werden de zelfstandigheid en de onafhankelijkheid van de Raad vergroot, onder meer door hem de bevoegdheid toe te kennen zijn eigen voorzitter te benoemen. De taakstelling werd uitgebreid door toekenning van de bevoegdheid ook eigener beweging adviezen uit te brengen (art. 1 lid 3). Na de bezetting in mei 1940 kwam de Raad niet meer bijeen. Officieel werd hij pas in 1950 opgeheven. Uit historisch oogpunt verdient een specifiek advies dat de Hoge Raad van Arbeid op 9 april 1923 uitbracht bijzonder vermelding.3 Op pagina 15 e.v. van dat advies gaat de Raad onder meer in op de vraag of een wettelijke regeling van ondernemingsraden wenselijk is. Ingegeven door de discussie die de invoering van de Duitse Bertriebsrädengesetz in ons land had losgemaakt, had de minister van Arbeid de Raad gevraagd een advies uit te brengen inzake de instelling van ondernemingsraden.4 Omtrent de aan de Hoge Raad van Arbeid voorgelegde vragen, had de zogenaamde Commissie XII5 op 6 oktober 1922 een (overigens verdeeld) preadvies uitgebracht. In § 8 (pagina 51 e.v.) daarvan gaat de Commissie in op ondernemingsgewijze medezeggenschap. Hierin treffen we voor het eerst de term ondernemingsraden aan,6 dit ter onderscheiding van de zogenaamde bedrijfsraden, die voor een gehele bedrijfstak konden worden ingesteld.7 Sprekend over de samenstelling van een ondernemingsraad verdient het volgens de Commissie de voorkeur, anders dan in de Duitse regeling, niet alleen werknemers, maar ook de directie daarvan deel te laten uitmaken of althans daarin vertegenwoordigd te laten zijn.8 Op pagina 57 en 58 van het preadvies geeft de Commissie een opsomming van bevoegdheden die een ondernemingsraad zou moeten hebben: het recht op inzage in de balans en de winst- en verliesrekening, het recht op inlichtingen welke inzicht verschaffen in de toestand van de onderneming, het recht van goedkeuring van fabrieksreglementen en het recht een vertegenwoordiger aan te wijzen in de raad van commissarissen.9 Daarnaast zou de ondernemingsraad bij vaststelling van arbeidsvoorwaarden betrokken worden ‘in zooverre … als voorgeschreven is, of aan hem overgelaten in de collectieve regeling geldende voor het bedrijf.’.10 Een meerderheid van de leden van de Hoge Raad van Arbeid achtte een wettelijke regeling van ondernemingsraden, met door Commissie XII opgesomde bevoegdheden, echter ongewenst en prematuur. Zij voelde er hooguit voor in de wet de verplichting tot instelling vast te leggen, alsmede de wijze van verkiezing van ondernemingsraden. Invulling van bevoegdheden zou vervolgens aan de praktijk moeten worden overgelaten. Zover is het niet gekomen.