Einde inhoudsopgave
De bij dode opgerichte stichting (Publicaties vanwege het Centrum voor Notarieel recht) 2020/7.3.3
7.3.3 Een uitstapje naar artikel 3:83 BW
mr. T.F.H. Reijnen, datum 01-09-2020
- Datum
01-09-2020
- Auteur
mr. T.F.H. Reijnen
- JCDI
JCDI:ADS232429:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Algemeen
Erfrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Ook Breemhaar 1992, nr. 94 legt een verband tussen artikel 4:45 lid 2 BW en artikel 3:83 BW, net als Stolz 2015, p. 431.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/210. Scheltema schrijft: ‘De vrije overdraagbaarheid van goederen is, zo wordt algemeen aangenomen, één van de grondbeginselen van het BW’, A.H. Scheltema, ‘Ontbindende voorwaarde en vervreemdingsverbod’, Groninger Opmerkingen en Mededelingen XX (2003), p. 39. Het goederenrecht is daarom doorgaans ook dwingend recht, Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/34.
Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/211. Een voorbeeld is erfpacht. Artikel 5:91 BW maakt het mogelijk overdraagbaarheid te koppelen aan toestemming van de eigenaar. Daarentegen bepaalt artikel 3:223 BW uitdrukkelijk dat de vruchtgebruiker bevoegd is zijn recht aan een derde over te dragen of te bezwaren. Is echter aan de oorspronkelijke vruchtgebruiker bij de vestiging van het vruchtgebruik een grotere bevoegdheid tot vervreemding, verbruik of vertering gegeven dan de wet aan de vruchtgebruiker toekent, dan komt die ruimere bevoegdheid niet aan de latere verkrijgers van het vruchtgebruik toe.
Toelichting Meijers, p. 211.
Artikel 3:83 lid 2 BW ziet niet alleen op de mogelijkheid de overdracht te beperken doch ook op de mogelijkheid tot beperking van het vestigen van zekerheidsrechten, zie Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/213. Wibier heeft gepleit nader onderzoek te doen naar de mogelijkheden de problematiek van vorderingen als zekerheidsobject langs verbintenisrechtelijke weg te benaderen, R.M. Wibier, ‘Vorderingen als zekerheids-object: beyond verpanding’, WPNR 2005/6610. Voor de vraag of het mogelijk is overeen te komen dat een vordering niet verpand kan worden, zie A.E. Goossens, ‘Uitleg en wenselijkheid van het cessie en verpandingsverbod’, Maandblad voor Vermogensrecht 2013/6.
Daarom kan de overdraagbaarheid van een reeds bestaande vordering niet worden beperkt, zie F.E.J. Beekhoven van den Boezem, Onoverdraagbaarheid van vorderingen krachtens partijbeding (diss. Groningen, Recht en praktijk nr. 126), Deventer: Kluwer 2003, p. 40.Om zeker te zijn dat de beperking in de overdraagbaarheid goederenrechtelijke werking heeft, is het aanbevelenswaardig expliciet te verwijzen naar artikel 3:83 lid 2 BW, zie HR 21 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:682, NJ 2015/167, m.nt. H.J. Snijders (Coface/Intergamma), waarin expliciet HR 17 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0168, NJ 2004/281, m.nt. H.J. Snijders is bevestigd. Zie ook Pitlo/Reehuis & Heisterkamp 2012/110.
F.E.J. Beekhoven van den Boezem, Onoverdraagbaarheid van vorderingen krachtens partijbeding (diss. Groningen, Recht en praktijk nr. 126), Deventer: Kluwer 2003, p. 65 en p. 70 e.v.; Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/213 en 216.
Bijvoorbeeld door de werking van de saisine (artikel 4:182 BW), zie hierover L.C.A. Verstappen, Rechtsopvolging onder algemene titel (diss. Nijmegen, Ars Notariatus LXXII), Deventer: Kluwer 1996, p. 114 e.v.
Voordat ik nader in ga op artikel 4:45 lid 2 BW, maak ik een uitstapje naar artikel 3:83 BW, behorende tot het goederenrecht. Dit uitstapje is nuttig omdat artikel 3:83 BW van toepassing is op het gehele vermogensrecht, waarvan ook Boek 4 BW deel uitmaakt.1 Hoewel men dat zou kunnen menen, is artikel 4:45 lid 2 BW geen lex specialis ten opzichte van artikel 3:83 BW.2
Artikel 3:83 BW luidt:
Eigendom, beperkte rechten en vorderingsrechten zijn overdraagbaar, tenzij de wet of de aard van het recht zich tegen een overdracht verzet.
De overdraagbaarheid van vorderingsrechten kan ook door een beding tussen schuldeiser en schuldenaar worden uitgesloten.
Alle andere rechten zijn slechts overdraagbaar, wanneer de wet dit bepaalt.’
In artikel 3:83 BW is een van de grondbeginselen van het burgerlijk recht opgenomen, het beginsel van de vrije overdraagbaarheid van goederen en rechten.3
Uit artikel 3:83 BW blijkt dat bij de mogelijkheden tot beperking van de overdraagbaarheid onderscheid moet worden gemaakt tussen een drietal soorten van goederen:
Zaken: het goederenrechtelijk beperken van de overdraagbaarheid is niet mogelijk. Wel is het mogelijk de overdraagbaarheid obligatoir te beperken, overtreding van een dergelijke beperking levert slechts wanprestatie op. Hierbij kan worden gedacht aan voorkeursrechten.4
Beperkte rechten: het goederenrechtelijk beperken van de overdraagbaarheid is slechts mogelijk als de wet daarin voorziet. Ongeacht of de wet goederenrechtelijke beperkingen in de overdraagbaarheid toestaat, is het ook hier mogelijk de overdraagbaarheid obligatoir te beperken, overtreding van een dergelijke beperking levert slechts wanprestatie op.5
Vorderingsrechten: het goederenrechtelijk beperken van de overdraagbaarheid is mogelijk, doch uitsluitend in het belang van de schuldenaar bij beding tussen de schuldeiser en schuldenaar.
Wat ik hiervoor onder (i) en (ii) schreef over zaken en beperkte rechten vloeit zonder meer voort uit de wet en behoeft daarmee hier geen verdere toelichting. Anders ligt dat ten aanzien van de mogelijkheid de overdraagbaarheid van vorderingsrechten te beperken. Voor vorderingsrechten wordt minder stringent aan het beginsel van overdraagbaarheid vastgehouden. Voor vorderingsrechten geldt, dat grote partijautonomie bestaat bij het bepalen van de inhoud van het vorderingsrecht.6 Zo kan het vorderingsrecht goederenrechtelijk onoverdraagbaar worden gemaakt, of, minder vergaand, de goederenrechtelijke overdraagbaarheid worden onderworpen aan beperkingen.7 Dat de beperking in de goederenrechtelijke overdraagbaarheid onderdeel moet uitmaken van het vorderingsrecht betekent niet dat artikel 3:83 lid 2 BW eist dat het beding van niet-overdraagbaarheid wordt overeengekomen tussen de schuldenaar en de schuldeiser. Het beding behoeft slechts tussen schuldeiser en schuldenaar te gelden.8 Het is daardoor voor een erflater mogelijk ten aanzien van het uit een legaat voortspruitend vorderingsrecht te bepalen dat dit niet kan worden overgedragen.
Het beding waarbij de goederenrechtelijke overdraagbaarheid wordt beperkt, kan uitsluitend worden gemaakt in het belang van de schuldenaar. De schuldeiser heeft geen belang bij het onoverdraagbaar maken van een vorderingsrecht.9
Voor de volledigheid merk ik nog op dat ook een niet-overdraagbaar goed wel overgaat onder algemene titel.10 Beslag hierop is ook mogelijk.11
Samenvattend kan worden geconcludeerd, dat het slechts beperkt mogelijk is de overdraagbaarheid van goederen te beperken. Tot zover het uitstapje naar artikel 3:83 BW. Nu is het tijd de blik te richten op artikel 4:45 lid 2 BW.