Einde inhoudsopgave
De weg naar schadevergoeding in het internationale gemotoriseerde verkeer (Verzekeringsrecht) 2010/5.2.9.2
5.2.9.2 De gemotiveerd-antwoordprocedure naar Nederlands recht
mr. F.J. Blees, datum 29-04-2010
- Datum
29-04-2010
- Auteur
mr. F.J. Blees
- JCDI
JCDI:ADS400693:1
- Vakgebied(en)
Verzekeringsrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art 4: 70, tweede lid Wft.
Toelichting 4e Nota van Wijziging, Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 19, p. 543.
Zie voor de positie van de schaderegelaar naar Nederlands recht par. 4.7.5.1 en 5.3.5.
Art. 2:32 lid 1, aanhef en onder b) Wft.
Zie ook Groene Serie Toezicht Financiële Markten (Franken & Lodder), Kluwer - Deventer (losbl.), aantekening 11 bij art. 4:70. In België is de keus ook op de Wam gevallen.
Het is de vraag of de stelling in de toelichting(en), dat (alle) in de 4e Richtlijn bedoelde bevoegdheden op grond van de Wtv 1993 (en de Wft) aan de toezichthouder toekomen, wel geheel juist is. Deze vraag komt hierna in onderdeel d) van deze paragraaf aan de orde.
Daarmee zou ook zijn bereikt dat de sancties op het niet naleven van het voorschrift tot het geven van een tijdige en gemotiveerde reactie, conform de 5e Richtlijn, ook op het Bureau van toepassing zouden zijn. Zie hierna onder d) .
Terzijde zij opgemerkt dat - reeds voor de aanpassing van de Wft en ook al onder haar voorganger de Wtv 1993 - de buitenlander die in Nederland slachtoffer werd van een ongeval waarvoor een Nederlandse Wam-verzekeraar kon worden aangesproken door de Wam werd beschermd. Ook in die gevallen immers is aan de voorwaarden van het zesde lid van art. 4:70 Wft voldaan en is er een schadeverzekeraar die kan worden aangesproken. De benadeelde kan ongeacht zijn nationaliteit of woonplaats - de verzekeraar rechtstreeks in Nederland aanspreken. Na de 'uitleg' in de 5e Richtlijn van art. 11 lid 2 van Brussel 1 kan hij, mits hij inwoner is van de EU, de Nederlandse verzekeraar zelfs in eigen land in rechte aanspreken. De verzekeraar zal dan ook hebben te voldoen aan de bepaling van art. 4:70 lid 6 Wit. Op de positie van het Bureau en van de schaderegelaar in het kader van de gemotiveerd antwoord-procedure gaan de par. 5.4.2.4 en 53.4.1 in.
Kamer-stukken II 2002/03, 28 636, nr. 3, p. 6.
Kamerstukken II 2002/03, 28 636, nr. 6, p. 10.
Zie par. 5.2.9.1 onder b) en de daar met instemming geciteerde constatering van Van Schoubroeck.
De schaderegelaar is geen vertegenwoordiger in de zin van art. 1:1 Wft. Deze laatste wordt immers omschreven als degene die door een verzekeraar is aangesteld om hem te vertegenwoordigen in een andere staat dan de staat van de zetel van die verzekeraar bij de uitoefening van de bevoegdheden van de verzekeraar en bij de naleving van de voorschriften die in eerstbedoelde staat voor de verzekeraar gelden. Daarbij gaat het dus om voorschriften die voor de verzekeraar gelden in de staat waar de vertegenwoordiger is aangesteld, terwijl de verplichtingen van de schaderegelaar voortvloeien uit de (Nederlandse) Wft. De functie van schaderegelaar en die van vertegenwoordiger kunnen wel in dezelfde persoon worden verenigd.
Kamerstukken II 2002/03, 28 636, nr. 3, p. 6 en 7.
Kamerstukken II 2005/06, 29 708, nr. 19, p. 543.
Besluit van 11 juni 2009, houdende regels voor het vaststellen van de op grond van de Wet op het financieel toezicht en enige andere wetten op te leggen bestuurlijke boetes (Besluit bestuurlijke boetes financiële sector), Stb. 2009, 329.
Zie Stcrt. 11 juli 2008, nr. 132.
Zie omtrent de inbedding van het 'normoverdragend gesprek' en andere informele toezichtsinstrumenten en de gevaren daarvan Borgesius, Het Verzekerings-Archief, 2007, p. 133.
Handboek Schaderegeling Motorrijtuigen (Wansink), p. 325- 4b. De Bosch Kemper & Gruben, p. 69, lijken te menen dat de renteverplichting van de verzekeraar pas begint te lopen op het moment dat hij is aangesproken. Zij stellen immers dat de 'wettelijke rente die de WAM-verzekeraar zelf verschuldigd is geworden' niet wordt meegeteld bij de maximumdekking.
Zie ook Blees en de Bosch Kemper, 'De Vierde WAM-richtlijn (III)', Het VerzekeringsArchief 2004, p. 8.
Wellicht zal de toezichthouder bij structurele schending van de verplichting om binnen drie maanden een aanbod te doen dan wel een gemotiveerd antwoord te geven, kunnen optreden op grond van de art 3:8 en 9 Wft: de deskundigheid en de betrouwbaarheid van de personen die het beleid bepalen zou ter discussie kunnen worden gesteld. Maar hoe structureel moet de overtreding dan zijn?
Wel kan worden opgemerkt dat de ervaringen van het Nederlandse Schadevergoedingsorgaan tot dusverre niet duiden op alarmerende toestanden in het schaderegelingslandschap. Het aantal gevallen waarin het Nederlandse Schadevergoedingsorgaan wordt aangesproken door buitenlandse zusterorganisaties omdat de schaderegelaar van de Nederlandse verzekeraar de driemaandstermijn niet naleeft is zeer bescheiden.
Opgemerkt zij in dit verband dat het basisbedrag van de boete op overtreding van art. 4:70, zelfs na correctie wegens de duur en de ernst van de overtreding € 250.000 bedraagt. Of een verzekeraar een beroep kan doen op het matigingsrecht van art. 4 van het Besluit lijkt mij twijfelachtig. Het komt mij voor dat de AFM hier terughoudendheid zal betrachten.
Andere situaties waarin het Schadevergoedingsorgaan tot restitutie gehouden kan worden, zijn het geval waarin de verzekeraar geen schaderegelaar heeft aangesteld, of waarin de verzekeringsmaatschappij niet binnen twee maanden kan worden geïdentificeerd. Ook in die gevallen dient het Nederlandse schadevergoedingsorgaan de verzekeraar bij de toezichthouder bekend te maken.
a) Inleiding; structuur
De Nederlandse wetgever heeft er voor gekozen de verplichting van de Wam-verzekeraar om in alle andere lidstaten een schaderegelaar aan te stellen en om binnen drie maanden na een verzoek om schadevergoeding ofwel een aanbod tot schadevergoeding te doen, dan wel een met redenen omkleed antwoord te geven, waaruit blijkt waarom een dergelijk regelingsbod (nog) niet mogelijk is niet in de Wam, maar in de Wft1 neer te leggen.
"Deze bepalingen zien dus vooral op de zorgvuldige behandeling van benadeelden en dienen niet om de financiële soliditeit van de Wam-schadeverzekeraar te waarborgen. Om deze reden wordt voorgesteld om de bepalingen in het Deel Gedragstoezicht financiële ondernemingen op te nemen."2
Voor wat betreft de verplichting om een schaderegelaar aan te stellen, is deze keuze voor de hand liggend.3 Deze aanstelling is immers een toelatingseis voor de uitoefening van de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen4. Voor wat betreft de verplichting om binnen drie maanden gemotiveerd op een verzoek om schadevergoeding te reageren, zou de Wam een zeker zo logische plaats zijn geweest.5
De bij de implementatie van de 4e Richtlijn gegeven motivering om voor de Wtv 1993 - in dit opzicht de voorloper van de Wft - te kiezen, acht ik niet bijzonder overtuigend. De redenering van de wetgever was indertijd - en gezien de hiervoor geciteerde passage in de toelichting op de Wft is deze nog steeds - dat de bevoegdheden om de door de Richtlijn voorgeschreven sancties op te leggen, bij de Pensioen- en Verzekeringskamer berustten en in de Wtv 1993 waren neergelegd.6
Zoals de toelichting mijns inziens zeer terecht ook opmerkt, gaat het hier - en ik zeg: vooral - om een regel van materiële schadeafhandeling, die logischer in de Wam haar plaats zou hebben. Het vraagstuk van de handhaving van deze materiële verplichting en van de op overtreding gestelde sancties zou heel goed opgelost kunnen worden door in de Wft te bepalen dat de toezichthouder (in dit verband de Autoriteit Financiële Markten, hierna ook AFM) ook bevoegd is op te treden, indien de in de Wam opgenomen verplichting om binnen drie maanden te reageren, wordt overtreden. De thans gekozen oplossing brengt mee dat de rechtstoepasser op verschillende plaatsen moet zoeken naar de regels waaraan de verzekeraar zich moet houden en - belangrijker waarop de benadeelde aanspraak kan maken. Terzijde zij opgemerkt dat met een keuze voor de Wam in zoverre ook een vereenvoudiging bereikt zou zijn, dat de afzonderlijke vermelding van het Bureau als bedoeld in art. 2 lid 6 Wam in het kader van de gemotiveerd-antwoordprocedure dan overbodig zou zijn geweest. Het Bureau is immers op grond van art. 1 Wam verzekeraar in de zin van die wet; het is dat niet in de zin van de Wft.7
b) Aan wie legt de Wft de verplichting op?
De Nederlandse regels met betrekking tot de 'gemotiveerd-antwoordprocedure' zijn te vinden in art. 4:70 lid 6 Wft. De bepaling luidt als volgt:
"6. De schadeverzekeraar van degene die de schade heeft veroorzaakt, zijn schaderegelaar of het bureau bedoeld in artikel 2, zesde lid, van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen geeft binnen drie maanden na de datum waarop een benadeelde zijn verzoek tot schadevergoeding heeft ingediend:
a. een met redenen omkleed voorstel tot schadevergoeding indien de aansprakelijkheid niet wordt betwist en de omvang van de schade is vastgesteld; of
b. een met redenen omkleed antwoord op alle punten van het verzoek tot schadevergoeding indien de aansprakelijkheid wordt betwist of de omvang van de schade nog niet volledig is vastgesteld.
Artikel 119 van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek is van toepassing."
Thans komt eerst de vraag aan de orde, tot wie deze bepaling is gericht, met andere woorden: welke partijen deze verplichting moeten naleven.
De verplichting om binnen drie maanden na een verzoek om schadevergoeding gemotiveerd te reageren, rust op de schadeverzekeraar met zetel in Nederland of met zetel in een niet-lidstaat, die vanuit een Nederlands bijkantoor opereert, die de branche Aansprakelijkheid motorrijtuigen uitoefent en op diens - in de overige lidstaten op grond van het tweede lid van art. 4:70 Wft aangestelde - schaderegelaar. De formulering van art. 4:70 lid 6 Wft sluit volledig aan bij die van de Richtlijn.
In werkelijkheid liep de Wtv 1993, zoals aan de 4e Richtlijn aangepast, reeds vooruit op de 5e Richtlijn omdat de verplichting om binnen drie maanden gemotiveerd te reageren van aanvang aan reeds ook voor verzekeraars gold als het ongeval in Nederland had plaatsgevonden en de 4e Richtlijn niet van toepassing was. Met de implementatie van de 5e Richtlijn behoefde dus alleen nog het groenekaartbureau te worden toegevoegd.
Een en ander betekent dat de Wft de volgende slachtoffers beschermt:
de Nederlandse ingezetene, die slachtoffer wordt bij van een ongeval in Nederland, veroorzaakt door een voertuig dat verzekerd is bij een verzekeraar met zetel of bijkantoor in Nederland;
de Nederlandse benadeelde van een ongeval in Nederland dat door een bezoekend voertuig is veroorzaakt. Indien de benadeelde ervoor kiest het Nederlands Bureau der Motorrijtuigverzekeraars aan te spreken, zal aan de voorwaarden voor de betrokkenheid van het Bureau moeten zijn voldaan. Derhalve zal het voertuig ofwel gewoonlijk gestald moeten zijn in een der landen waar het Richtlijnregime van toepassing is, dan wel zal de aansprakelijkheid van het Bureau op een geldige groene kaart moeten kunnen worden gebaseerd;
de in een der andere lidstaten woonachtige buitenlandse benadeelde van een ongeval in gevallen waarin de 4e Richtlijn van toepassing is. Dat kan een ongeval in Nederland zijn, maar ook een ongeval in een andere lidstaat en zelfs, onder omstandigheden, in een derde land, namelijk als het aansprakelijke voertuig (al dan niet gewoonlijk in Nederland gestald) bij een Nederlandse verzekeraar verzekerd is. 8
Het regime van de Wft brengt mee, dat de Nederlandse ingezetenen, die in een andere lidstaat slachtoffer worden van een ongeval waarvoor geen Nederlandse Wam-verzekeraar kan worden aangesproken, hun bescherming niet in de Wft vinden. Op welke wijze zij worden beschermd, wordt bepaald door de wetgeving van het land van vestiging van de verzekeraar.
c) Het gemotiveerde antwoord volgens de Wft
De Wam legt de verplichting om binnen drie maanden gemotiveerd op een verzoek om schadevergoeding te reageren op de verzekeraar en - voor zover het een '4eRichtlijnongeval' betreft - ook op diens schaderegelaar.
De verplichtingen van deze twee partijen om te reageren staan naast elkaar. Zij zijn als het ware hoofdelijk. Heeft de één een antwoord gegeven, dan is de ander bevrijd. Er is geen goede reden waarom de benadeelde die van de één een antwoord heeft gekregen, zelfs als dat teleurstellend is, ook van de ander nog een reactie mag verlangen. De schaderegelaar wordt in de Richtlijn omschreven als een vertegenwoordiger van de verzekeraar en zijn handelingen moeten daarom aan de verzekeraar worden toegerekend; omgekeerd kan de vertegenwoordigde, de verzekeraar, de rechtshandeling (het antwoorden) ook zelf verrichten. De Richtlijn voorziet daarin expliciet in art. 22.
Wat moet onder de Wft worden verstaan onder een met redenen omkleed antwoord? De MvT stelt reeds dat "een serieus voorstel (moet) worden gedaan en niet een louter pro forma geformuleerd voorstel om aan deze verplichting te voldoen".9 De passage in de MvA II is reeds geciteerd in paragraaf 52.9.1 onder b).10
De opmerking in de MvT laat echter wel vragen open. Zo is niet duidelijk wat moet worden verstaan onder een 'serieus en niet louter pro forma geformuleerd voorstel'. Is bedoeld dat de verzekeraar en de schaderegelaar niet kunnen volstaan met een niet serieus, want veiligheidshalve zeer laag aanbod? In dat geval rijst de vraag wat de gevolgen van een dergelijk aanbod zijn in verband met de rol van het Schadevergoedingsorgaan, dat zich immers in het stelsel van de Richtlijn en de wet moet beperken tot de vraag of aan de formaliteiten is voldaan en dat zich niet mag begeven in een inhoudelijke beoordeling van het antwoord. Het ziet ernaar uit dat de benadeelde die een dergelijk 'niet serieus te nemen antwoord' ontvangt, misschien wel gelijk heeft, maar het niet gemakkelijk zal krijgen, in elk geval niet via het Schadevergoedingsorgaan. Ook naar Nederlands recht zal de benadeelde zich uiteindelijk tot de rechter moeten wenden.11
d) Het sanctiestelsel van de Wft: algemeen
In de opzet van de Wft is het gehele handhavingsregime op de verzekeraar gericht, dit ondanks het feit dat de verplichting om binnen drie maanden gemotiveerd te reageren, in art. 4:70 lid 6 Wft ook op de schaderegelaar wordt gelegd. De handhavings- en sanctiemogelijkheden zijn te vinden in hoofdstuk 1.4 - Toezicht en handhaving - van de Wft.
De handhaving van de verplichting om binnen drie maanden gemotiveerd te antwoorden is bij de AFM neergelegd. Het gaat hier immers om gedragstoezicht.12
Hoewel het geen handhavingstaak betreft, kan de toezichthouder in het kader van zijn toezichtstaak krachtens art. 1:74 Wft van eenieder - en dus kennelijk ook van de door een elders gevestigde verzekeraar in de Nederland aangestelde schaderegelaar - inlichtingen verlangen ten behoeve van het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Wft gestelde regels.13
Dit regime laat zich op zich verenigen met de Richtlijn.
e) Het sanctiestelsel van de Wft: de instrumenten van de AFM
In hoeverre zijn de handhavingsmogelijkheden van de AFM - zoals de Richtlijn vergt - 'passend, afdoende en systematisch'? De Nederlandse wetgever was van dat laatste, bij de implementatie van de 4e Richtlijn, kennelijk volstrekt overtuigd. De MvT bij wetsvoorstel 28 636 stelt immers, na de catalogus van (thans) overweging 40 bij de Richtlijn te hebben weergegeven, dat de Nederlandse toezichthouder:
"al deze bevoegdheden (...) reeds (heeft) op grond van de Wtv 1993. Door opneming van de regeling omtrent de schaderegelaar in de Wtv 1993, wordt derhalve voldaan aan de richtlijn."14
De opvattingen van de wetgever terzake zijn kennelijk in de loop der jaren niet veranderd. De MvT op art. 4:70 Wft haalt deze passage zonder enig verder commentaar letterlijk aan.15
Welke bevoegdheden zijn in dit verband aan de AFM toebedeeld?
De AFM kan om te beginnen op grond van art. 1:74 lid 1 Wft
"ten behoeve van het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze wet gestelde regels van eenieder inlichtingen vorderen."
De term 'eenieder' is ruim en lijkt ook de door de niet in Nederland gevestigde verzekeraar in Nederland aangewezen schaderegelaar te omvatten. Tot dusver heeft, voor zover mij bekend, de AFM nog geen verzekeraars met vestiging in Nederland aangesproken op het gedrag van hun in andere lidstaten aangestelde schaderegelaars.
Art. 1:75 bepaalt vervolgens dat de toezichthouder verzekeraars die niet voldoen aan hetgeen bij of krachtens deze wet is bepaald, door middel van een aanwijzing kan verplichten om binnen een door de toezichthouder gestelde redelijke termijn ten aanzien van de in de aanwijzingsbeschikking aan te geven punten een bepaalde gedragslijn te volgen. Voor wat betreft verzekeraars met zetel in een andere lidstaat die in Nederland vanuit een bijkantoor dan wel in dienstverrichting werkzaam zijn, kan de toezichthouder, als aan de voorwaarden van art. 1:58 Wft is voldaan, verbieden dat zij nieuwe overeenkomsten sluiten.
De toezichthouder kan voorts op grond van art. 1:76 besluiten een curator te benoemen als de verzekeraar niet voldoet aan hetgeen ingevolge de Wft is bepaald, dat wil zeggen als de onderneming de hiervoor bedoelde aanwijzing niet heeft opgevolgd, het adequate functioneren van de onderneming ernstig in gevaar wordt gebracht of als de overtreding in kwestie de belangen van consumenten of die van cliënten ernstig in gevaar brengt.
Art. 1:79 Wft biedt de AFM de mogelijkheid een last onder dwangsom op te leggen ter zake van overtreding van onder meer art. 4:70, terwijl art. 1:80 een dergelijke bevoegdheid toekent tot het opleggen van een bestuurlijke boete. Art. 1:81 geeft de kaders voor de hoogte van de boete.
De Wft werkt met boetecategorieën. Overtreding van art. 4:70 Wft valt volgens art. 10 van het Besluit bestuurlijke boetes financiële sector16, in categorie 2, waarbij op grond van art. 1:81 lid 2 Wft een basisbedrag van € 500.000 past, met een minimum van € 0 en een maximum van € 1 miljoen.
Blijkens art. 2 lid 1 Besluit bestuurlijke boetes financiële sector stelt de toezichthouder een bestuurlijke boete van categorie 2 of 3 vast op het basisbedrag. Het tweede en derde lid van het artikel openen de mogelijkheid van verlaging of verhoging met ten hoogste 50% in verband met de duur en de ernst van de overtreding of in verband met de mate van verwijtbaarheid. Art. 4 biedt de mogelijkheid rekening te houden met de draagkracht van de overtreder. Op grond daarvan kan de boete met maximaal 100% worden verlaagd.
De toezichthouder kan de Nederlandse verzekeraar die in een andere lidstaat vanuit een bijkantoor of in dienstverrichting actief is, verbieden haar bedrijf in die andere lidstaat voort te zetten, als een aanwijzing als bedoeld in art. 1:75 niet is opgevolgd. Zie art. 1:77 Wft.
De Richtlijn vermeldt ook als mogelijke sanctie de publicatie van maatregelen. De art. 1:94 e.v. Wft regelen de openbare waarschuwing. Met uitzondering van het bedrijfsverbod bedoeld in art. 1:77 kan de AFM in verband met een schending van de gemotiveerd-antwoordprocedure geen openbare waarschuwing uitvaardigen. Art. 4:70 wordt niet genoemd in art. 1:94. Ook geldt dat een aanwijzing als bedoeld in art. 1:75 en de benoeming van een curator in de zin van art. 1:76 niet openbaar worden gemaakt. In beginsel worden onherroepelijke bestuurlijke boetes en verbeurde dwangsommen altijd gepubliceerd. Zie art. 1:98 en 99 Wft.
f) Het handhavingsbeleid van de AFM
Op 10 juli 2008 heeft de AFM, samen met DNB, het handhavingsbeleid van beide toezichthouders vastgesteld.17 Daaruit blijkt onder meer dat de AFM en DNB zich op het standpunt stellen dat zij naast de in de financiële wet- en regelgeving geregelde handhavingsinstrumenten ook niet geregelde instrumenten tot hun beschikking hebben. In dat kader hebben de toezichthouders de Nederlandse taal verrijkt met de term 'normoverdragend gesprek .18Een ander niet in de wet genoemd maar door de toezichthouders wel ingezet handhavingsinstrument is de waarschuwingsbrief. Het lijkt waarschijnlijk dat de toezichthouders zich deze middelen hebben toegeeigend in het kader van het uitgangspunt dat hun optreden moet voldoen aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name die van evenredigheid, evenwichtige belangenafweging en gelijke behandeling.
Het lijkt voor de hand te liggen dat de AFM juist deze informele middelen zal inzetten om op te treden in gevallen waarin de verplichting om binnen drie maanden een gemotiveerde reactie te geven anders dan structureel niet wordt nageleefd.
g) Het sanctiestelsel van de Wft: de wettelijke rente
Het voorschrift van de laatste volzin van art. 4:70 Wft lid 6 Wft, waarin art. 6:119 BW van toepassing wordt verklaard als de drie-maandstermijn niet in acht is genomen, is overbodig als zij slechts beoogt te bevestigen dat de verzekeraar over de hoofdsom vertragingsrente verschuldigd is. Dat is hij immers - volgens Wansink - op grond van art. 6:83 sub b) BW al vanaf het moment van de onrechtmatige daad van zijn verzekerde.19
Als de verwijzing in art. 4:70 lid 6 Wft iets anders bedoelt dan te bevestigen dat de verzekeraar rente verschuldigd is wegens de vertraging in de voldoening van een geldsom, zou onduidelijk zijn op welk moment deze renteverplichting op grond van art. 4.70 lid 6 Wft zou beginnen te lopen: vanaf het moment waarop de renteverplichting ex art. 6:119 BW gaat lopen, dan wel vanaf het moment dat de verzekeraar niet aan zijn 'drie-maandsverplichting' voldoet.20 afschrikkende (of motiverende) werking van de renteverplichting op grond van art. 4:70 lid 6 Wft lijkt mij in de uitleg dat art. 4:70 Wft slechts de bestaande verplichting op grond van het BW bevestigt, afwezig en als zij naast die op grond van art. 6:119 BW staat, niet groot.
h) Het sanctiestelsel van de Wft: vergelijking met de Richtlijn
De vraag moet thans onder ogen worden gezien, in hoeverre de Wft met dit handhavings- en sanctieregime aan (de doelstellingen van) de Richtlijn voldoet. Daartoe vergelijken wij eerst de - kennelijk enuntiatieve - opsomming van art. 22 in samenhang met overweging 40 van de Preambule van de Richtlijn met de Wft zoals hiervoor weergegeven.
De Wft bevat niet het gehele scala aan sanctiemogelijkheden dat in overweging 40 van de Richtlijn is opgesomd, maar de AFM staat zeker niet met lege handen.
Zo is de bevoegdheid om inlichtingen in te winnen zeer ruim geformuleerd. Ook de - niet expliciet in de Wft geregelde - 'sancties' van 'normoverdragend gesprek' en waarschuwingsbrief kunnen na een geconstateerde overtreding worden ingezet.
Ook kan de AFM de verzekeraar aanwijzingen geven. Het lijkt mij, dat deze aanwijzingen ook de wijze van opereren van de schaderegelaar kunnen omvatten. Deze treedt immers op als vertegenwoordiger van de verzekeraar. In het opleggen van (bestuurlijke) geldboetes en dwangbevelen is eveneens voorzien. De mogelijkheid tot publicatie van maatregelen is, zij het in een beperkt aantal gevallen, mogelijk. Ook kan een curator worden aangesteld, al moet het dan naar het lijkt wel gaan om zeer ernstige situaties.
Een aantal van de door de Richtlijn gesuggereerde mogelijkheden staat de toezichthouder echter niet volledig, of alleen in theorie ter beschikking. Zo lijkt intrekking van de vergunning van de verzekeraar een te zwaar middel om werkzaam te kunnen zijn, indien een verzekeraar de verplichting tot het geven van een gemotiveerd antwoord niet naleeft. Schorsing van de werkzaamheden lijkt alleen te kunnen worden afgedwongen in de vorm van een verbod om nieuwe overeenkomsten te sluiten, dat op grond van art. 1:58 Wft aan bijkantoren van verzekeraars met zetel in een andere lidstaat en aan dienstverrichters vanuit het buitenland kan worden opgelegd. De mogelijkheden om sancties op te leggen aan directie en personeel van de verzekeraar zijn, als ik goed zie, beperkt.21
De mogelijkheden die de Wft biedt lijken dus niet geheel aan te sluiten op de eisen van de Richtlijn. Het is daarbij wat mij betreft echter de vraag of de catalogus van overweging 40 bij de Richtlijn als zodanig geschikt is om het doel - in de woorden van overweging 40: "elke benadeelde zijn specifieke recht op een snelle afwikkeling van zijn vordering (te) garanderend" - te bereiken. Zie de kritische kanttekening van Fuhrer, geciteerd in paragraaf 5.2.9.1 onder c), die meent dat bestuursrechtelijke instrumenten niet het juiste middel zijn om een dergelijk individueel recht af te dwingen.
De Nederlandse wetgever lijkt art. 22 van de Richtlijn voor zover die bepaling meebengt dat de verzekeraar rente moet vergoeden als de verplichting tot het doen van een aanbod of het geven van een gemotiveerd antwoord binnen de termijn van drie maanden niet is nageleefd, niet juist te hebben omgezet. Art. 4:70 lid 6 Wft roept immers naast art. 6:119 BW geen afzonderlijke rentevergoeding in het leven.
i) Het sanctiestelsel van de Wft: beoordeling
De vraag of het ontbreken van enige van de in de overweging 40 opgesomde mogelijkheden meebrengt dat de Wft niet aan de eisen van de Richtlijn voldoet lijkt theoretisch. De regeling van art. 22 van de Richtlijn in samenhang met overweging 40 is immers niet dwingend, maar geformuleerd in de vorm van een opsomming van mogelijkheden. De enige 'harde' eis is, dat de maatregelen passend, afdoende en systematisch en van financiële of daaraan gelijkwaardige administratieve aard moeten zijn.
Het doel van deze sancties zou moeten zijn de schaderegelaar en de verzekeraar er - als het niet goedschiks gaat, dan maar kwaadschiks - toe te brengen snel en adequaat op een verzoek om schadevergoeding te reageren. De sancties waarmee de Wft de verzekeraar - en door de opneming van de schaderegelaar in de Wft ook deze - dreigt, zijn zuiver administratiefrechtelijk van aard en algemeen (structureel) gericht. Vanuit deze optiek bezien kan men vraagtekens plaatsen bij de effectiviteit van het Nederlandse sanctieregime ter correctie van overtredingen van de verplichting tot het geven van een gemotiveerd antwoord in individuele gevallen.22 Het lijkt immers de vraag of de AFM in een individueel geval snel gebruik zal maken van haar mogelijkheden. Zo lijkt het uiterst onwaarschijnlijk dat een curator zal worden aangesteld als de verzekeraar of zijn schaderegelaar - zelfs meerdere malen - het voorschrift van art. 4:70 Wft negeert. Alleen boetes en last onder dwangsom zullen effect kunnen sorteren, mits de AFM een actief handhavingsbeleid voert.23 Bovendien kan zij een 'normoverdragend gesprek' aangaan en kan zij een waarschuwingsbrief verzenden. Deze laatste twee mogelijkheden lijken in de praktijk het meest effectief.
In dit verband zij ook gewezen op de verplichting van het Schadevergoedingsorgaan op grond van art. 27t lid 2 Wam om de naam van de verzekeraar aan de AFM door te geven, als het Schadevergoedingsorgaan een buitenlandse zusterorganisatie een bedrag heeft moeten restitueren omdat de verzekeraar zelf zijn verplichtingen niet nakwam. Daartoe is het Nederlandse Schadevergoedingsorgaan ook gehouden als de Nederlandse verzekeraar en zijn buitenlandse schaderegelaar de drie-maandstermijn niet in acht hebben genomen.24