Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie
Einde inhoudsopgave
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/2.6.1:2.6.1 Het Ontwerp-Ort
Het opportuniteitsbeginsel en het recht van de Europese Unie 2014/2.6.1
2.6.1 Het Ontwerp-Ort
Documentgegevens:
Dr. W. Geelhoed LL.M., datum 19-09-2013
- Datum
19-09-2013
- Auteur
Dr. W. Geelhoed LL.M.
- Vakgebied(en)
Strafprocesrecht / Voorfase
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Internationaal strafrecht / Europees strafrecht en strafprocesrecht
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In het door Ort opgestelde ontwerp voor een nieuw Wetboek van Strafvordering bleef, in artikel 210-217, de oude rechtsingangprocedure bestaan, terwijl ook de mogelijkheid bestond rechtstreeks te dagvaarden (artikel 310).1 Diverse bepalingen lijken de officier van justitie weinig beslissingsruimte te geven. De officier van justitie wordt in artikel 7 ‘belast met de vervolging van alle strafbare feiten waarvan de kennisneming (...) behoort aan de arrondissementsrechtbanken’. Een soortgelijke bepaling is er voor de ambtenaren bij de kantongerechten. De legaliteitsgedachte klinkt ook door in artikel 39 lid 1: ‘Wanneer de officier van justitie kennis heeft bekomen van een strafbaar feit, met welks vervolging hij is belast, doch geen voldoende gronden vindt tot het vorderen van rechtsingang of tot dagvaarding, wint hij naar omstandigheden zelf de narichten in, die de zaak tot meer klaarheid kunnen brengen of stelt hij daartoe de stukken in handen van den rechter-commissaris, met zoodanige vordering als hij geraden acht.’ Wanneer de officier vervolgens meer duidelijkheid heeft verkregen omtrent de persoon van de verdachte en de toedracht van het feit, kan hij rechtsingang vorderen: ‘Zoodra de officier van justitie voldoende aanwijzing heeft verkregen van een gepleegd strafbaar feit, waarvan de kennisneming aan de rechtbank behoort en van den persoon die zich daaraan schuldig heeft gemaakt en hij het verleenen van rechtsingang noodig oordeelt, biedt hij de stukken met zijne daartoe strekkende vordering aan de rechtbank aan’ (artikel 210 lid 1, cursivering WG). Uit de tekst van de bepaling is niet direct helder of hiermee het opportuniteitsbeginsel in het ontwerp is neergelegd, of dat geduid wordt op de keuze die de officier van justitie maakt voor rechtsingang in plaats van rechtstreekse dagvaarding. Ook lijkt de officier weinig keus te hebben als er naar aanleiding van bijzondere onderzoekshandelingen processen-verbaal zijn opgemaakt of akten, stukken en andere voorwerpen bij hem beland zijn. Dan is hij verplicht deze door te sturen naar de rechtercommissaris, met dien verstande echter dat hij daarbij de vorderingen doet die hij nodig acht (artikel 106). Na afloop van het voorlopig onderzoek door de rechter-commissaris is er een ruimere bevoegdheid voor de officier. Dan kan hij besluiten de zaak niet verder te vervolgen (artikel 207).
Uit de toelichting bij het ontwerp komt een ruimhartiger houding ten opzichte van de beslissingsvrijheid van de officier van justitie naar voren: ‘(...) hij bepaalt òf en op welke wijze de opsporende ambtenaren het onderzoek zullen aanvangen of voortzetten; hij beslist, behoudens het toezicht en de bevelen van den procureur-generaal en behoudens de bevoegdheid van den rechter om vervolging te gelasten, of aan het opgespoorde feit gevolg zal worden gegeven en beoordeelt in het laatste geval of de zaak vatbaar is om reeds aanstonds aan de kennisneming van den rechter te worden onderworpen, dan wel of zij vooraf tot meer klaarheid dient te worden gebracht, in welk geval hij, hetzij zelf of door de onder zijne bevelen geplaatste hulp-officieren, de noodige berichten kan inwinnen, hetzij de stukken kan stellen in handen van den rechter-commissaris met de vorderingen die hij voor het instellen van een ander onderzoek noodig acht.’2
Uit die toelichting klinkt, duidelijker dan uit de wetsartikelen van het ontwerp, door dat het opportuniteitsbeginsel gehuldigd wordt. Niet alleen wordt aan de officier van justitie de ruimte gelaten geen vervolging in te stellen, ook wordt hem de beslissing gelaten over het al dan niet opsporen van strafbare feiten. Bij fiscale delicten wordt de officier van justitie echter geheel buitenspel gezet. Ten aanzien van de vervolgingsbevoegdheid van de belastingen schrijft Ort in toelichting op artikel 310 dat die niet aan de ambtenaren van het om zijn opgedragen, maar aan de Rijksadvocaat, zodat de vervolgingen naar het inzicht van de minister van Financiën moeten worden ingesteld: ‘Waar naar zijn inzicht het aangaan van eene transactie of het nietinstellen eener vervolging in het belang van ’s Rijks schatkist is te achten, moet alleen dit inzicht de richtsnoer voor handelen zijn.’3 Die uitzondering zou niet nodig zijn geweest wanneer de officier van justitie niet de mogelijkheid had om ingezonden processen-verbaal terzijde te leggen. Dat deze beslissingsvrijheid niet doorklinkt in de artikelen van het ontwerp wordt waarschijnlijk veroorzaakt doordat opzet en formulering van het ontwerp weinig afwijken van het Wetboek van Strafvordering van 1886.