Einde inhoudsopgave
Ongerechtvaardigde verrijking en onverschuldigde betaling als bronnen van verbintenissen (O&R nr. 80) 2014/4.5.5.2
4.5.5.2 Uitzonderingen op uitgangspunt dat rechtshandeling alleen werkt tussen partijen
mr. S.R. Damminga, datum 07-11-2013
- Datum
07-11-2013
- Auteur
mr. S.R. Damminga
- JCDI
JCDI:ADS493945:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Overige verbintenissen
Voetnoten
Voetnoten
HR 21 januari 2000, NJ 2000/553 (ODS/Curaçao Port Services); Asser/Hartkamp & Sieburgh 2010 (6-III*), nr. 525.
Vgl. PG Boek 6, p. 825 In de parlementaire geschiedenis wordt een vergelijkbare casus echter – zonder nadere toelichting – genoemd als voorbeeld van een ongerechtvaardigde verrijking.
Zelfs als B niet bevoegd was om de zaken te gebruiken, is het mogelijk dat C erop mag vertrouwen dat B wel bevoegd is; een dergelijke bevoegdheid is immers niet ongebruikelijk bij leveringen onder eigendomsvoorbehoud, HR 29 juni 1979, NJ 1980/133 (Hoogovens/Matex).
Zie over dit voorbeeld Hartkamp 2001, p. 333-334.
Voor het antwoord op deze vraag is in beginsel niet bepalend of C een overeenkomst heeft met B die de verrijking zou rechtvaardigen. A is immers geen partij bij deze overeenkomst. Slechts als A het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat hij de overeenkomst BC als rechtvaardiging voor een verrijking van C tegen zich laat werken, kan deze overeenkomst een rechtvaardiging vormen voor het gebruik van de bouwmaterialen. Daarvan zal in de praktijk niet snel sprake zijn. Anders: Nieskens-Isphording 1991, p. 74-76; Nieskens-Isphording 1998, p. 105-107.
Nieskens-Isphording (1991, p. 75-76) meent dat de overeenkomst BC de verrijking rechtvaardigt. Echter, A is geen partij bij deze overeenkomst, zodat het enkele bestaan van de overeenkomst BC de verrijking volgens mij niet kan rechtvaardigen.
Par. 4.5.5.1.
Uit het algemene vermogensrecht blijkt dat uitzonderingen bestaan op het uitgangspunt dat een rechtshandeling alleen werking heeft tussen partijen bij deze rechtshandeling. Deze uitzonderingen zijn ook voor het verrijkingsrecht van belang, omdat zij analoog kunnen worden toegepast. Ik bespreek daarom twee uitzonderingen.
In de eerste plaats kan een contractspartij een beroep doen op de overeenkomst tegen een derde als deze derde bij de betreffende contractspartij de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat hij de overeenkomst tegen zich laat werken. In de praktijk gaat het bij deze uitzondering vaak om exoneratiebedingen.1 Stel bijvoorbeeld dat B en C overeenkomen dat B zaken zal bewerken die door C worden aangeleverd. De zaken zijn eigendom van A. B en C komen overeen dat B niet door C aansprakelijk gesteld kan worden voor schade die tijdens het bewerkingsproces aan de zaken wordt toegebracht. A is geen partij bij de overeenkomst tussen B en C, zodat het exoneratiebeding in beginsel geen gevolgen heeft voor A. A wekt echter – door C de vrije hand te geven over zijn zaken – de gerechtvaardigde verwachting bij B dat B de exoneratieclausule ook kan inroepen tegen A. Als B de betreffende zaken van A beschadigt, pleegt B een onrechtmatige daad jegens A. Op grond van de gerechtvaardigde verwachting die A bij B heeft gewekt, kan B echter jegens A een beroep doen op het exoneratiebeding.
In de tweede plaats kan uit (het stelsel van) de wet volgen dat derden bepaalde rechten kunnen ontlenen aan een overeenkomst waar zij geen partij bij zijn. Artikel 6:257 is daarvan een voorbeeld. Deze bepaling ziet op het geval waarin een ondergeschikte aansprakelijk wordt gesteld voor schade die de hij heeft veroorzaakt bij een contractuele wederpartij van zijn ‘werkgever’. Het artikel bepaalt dat de ondergeschikte een beroep kan doen op een exoneratieclausule die zijn ‘werkgever’ is overeengekomen met diens contractspartij.
Het hierboven besproken uitgangspunt en de gesignaleerde uitzonderingen betekenen voor artikel 6:212 het volgende. Als uitgangspunt heeft te gelden dat een verrijking alleen wordt gerechtvaardigd door een rechtshandeling als de verarmde (A) een rechtshandeling heeft verricht jegens de verrijkte (C). Op dit uitgangspunt zijn twee uitzonderingen mogelijk, die ik hieronder bespreek. Het betreft (i) de uitzondering dat de verarmde de gerechtvaardigde verwachting wekt dat hij een rechtshandeling tegen zich laat werken die is verricht door de verrijkte met of jegens een derde; en (ii) de uitzondering dat de verarmde de gerechtvaardigde verwachting wekt dat de verrijkte een beroep mag doen op een rechtshandeling verricht door de verarmde met of jegens een derde.
(i) Verarmde wekt gerechtvaardigde verwachting dat hij een rechtshandeling tussen de verrijkte en derde tegen zich laat werken
Een verrijking wordt gerechtvaardigd door een rechtshandeling tussen derde B en verrijkte C als verarmde A de gerechtvaardigde verwachting heeft gewekt dat hij de overeenkomst BC tegen zich laat gelden. Daarvan zal – gelet op het uitgangspunt dat de rechthebbende zelf toestemming moet geven voor een inbreuk op een exclusieve rechtspositie – niet snel sprake zijn.
(ii) Verarmde wekt gerechtvaardigde verwachting dat de verrijkte een beroep mag doen op een rechtshandeling tussen de verarmde en een derde
Een verrijking wordt gerechtvaardigd door een rechtshandeling van de verarmde (A) jegens een derde (B), als de verrijkte (C) op grond van gedragingen van de verarmde (A) mocht menen dat hij (C) een beroep op deze rechtshandeling kon doen. Gedragingen van de verarmde kunnen besloten liggen in de aard van de rechtshandeling.
Een voorbeeld verduidelijkt dit.2 Stel dat A leverancier is van bouwmaterialen. Hij sluit een overeenkomst met aannemer B om stenen te leveren. A en B spreken af dat de eigendom van de stenen pas overgaat als B de koopprijs heeft voldaan. B is bevoegd de materialen bij bouwwerkzaamheden te gebruiken, ook al heeft de verkoper geen betaling ontvangen en ook al is de eigendom nog niet overgegaan.3 B gebruikt deze stenen bij het bouwen van een huis voor opdrachtgever C. Het in aanbouw zijnde huis van C trekt de stenen na. C heeft bedongen dat hij aannemer B niet hoeft te betalen als deze de bouwwerkzaamheden staakt. B gaat failliet zonder leverancier A te hebben betaald, terwijl ook opdrachtgever C aannemer B onbetaald heeft gelaten.4 C geniet een voordeel, omdat hij voor een deel van de materialen (en bouwwerkzaamheden) geen betaling is verschuldigd aan (de curator van) B. A daarentegen lijdt een nadeel omdat hij voor de gebruikte materialen geen betaling van B heeft ontvangen, terwijl hij daarvan ook niet langer eigenaar is. De vraag rijst of C ongerechtvaardigd wordt verrijkt ten koste van A.5 In beginsel pleegt C, als eigenaar van de onroerende zaak die de bouwmaterialen natrekt, een inbreuk op het eigendomsrecht van A. Echter, op grond van de overeenkomst tussen A en B is B bevoegd de materialen te gebruiken bij de bouw van het huis van C. Naar mijn mening mag C in de gegeven omstandigheden een beroep doen op de overeenkomst tussen A en B.6 C mocht ervan uitgaan dat B bevoegd was de bouwmaterialen te gebruiken bij de bouw van het huis van C, omdat een dergelijke bevoegdheid gebruikelijk is en A geen voorbehouden heeft gemaakt die voor C kenbaar waren. De natrekking van de materialen door de onroerende zaak van C vormt aldus geen onbevoegde inbreuk door C op een exclusieve rechtspositie van A. Zo bezien is C niet ongerechtvaardigd verrijkt. Dat het bestaan van de overeenkomst BC niet doorslaggevend is, blijkt uit een vergelijking van het voorbeeld met het geval waarin de bouwmaterialen niet door A zijn geleverd, maar zijn gestolen van A. Dan heeft A geen bevoegdheid verleend tot het gebruik van de materialen. In een dergelijk geval zou, zoals wij hierboven zagen, A wel van C kunnen terugvorderen.7
De opvatting dat een beroep van C op de overeenkomst AB in de weg kan staan aan een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking van A tegen C, voorkomt dat A risico’s die hij heeft aanvaard in zijn verhouding tot zijn contractspartij B afwentelt op C die deze risico’s niet heeft aanvaard. Voor een dergelijke risicoafwenteling bestaat, zoals is betoogd in hoofdstuk 1, geen rechtvaardiging. Dit blijkt ook uit het voorbeeld van de onbetaald gebleven leverancier. Leverancier A zoekt bij het sluiten van de overeenkomst met aannemer B zijn wederpartij zelf uit. Bij het sluiten van de overeenkomst en vervolgens bij het verrichten van de leveringshandeling kan A een inschatting maken van de risico’s die het contracteren met en de levering van de materialen aan B voor hem inhouden. Zo loopt A het risico dat B zijn verplichtingen uit de overeenkomst niet nakomt. A weet dat als B niet nakomt, hij een vordering heeft tegen B uit hoofde van wanprestatie. A kan een inschatting maken van het risico dat B deze verbintenis niet zal kunnen nakomen en wegens insolventie geen verhaal biedt. Als B inderdaad niet nakomt en failliet gaat, verwezenlijken de door A aanvaarde risico’s zich. Wanneer wordt aanvaard dat C een beroep mag doen op de bevoegdheid van B om de materialen te gebruiken – welke bevoegdheid voortvloeit uit de overeenkomst tussen A en B – wordt voorkomen dat A risico’s afwentelt op C, die deze risico’s (bewust) niet heeft aanvaard.