Einde inhoudsopgave
Douanewaarde in een globaliserende wereld (FM nr. 164) 2021/11.1
11.1 Inleiding
M.L. Schippers, datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
M.L. Schippers
- JCDI
JCDI:ADS258382:1
- Vakgebied(en)
Omzetbelasting / Algemeen
Accijns en verbruiksbelastingen / Algemeen
Douane (V)
Voetnoten
Voetnoten
Mutatis mutandis kan ook uit arresten van het Hof van Justitie worden afgeleid dat dubbele heffing van invoerrechten niet past bij het in de Europese Unie toepasselijke douanerecht. Vgl. HvJ EU 6 september 2012, nr. C-262/10 (Döhler Neuenkirchen GmbH tegen Hauptzollamt Oldenburg), ECLI:EU:C:2012:559, r.o. 46.
HvJ EU 20 december 2017, nr. C-529/16 (Hamamatsu Photonics Deutschland GmbH tegen Hauptzollamt München), ECLI:EU:C:2017:98, r.o. 27-30.
Artikel 8, lid 1, onderdeel a, ten eerste en lid 2, CVA, punt 3 op de Aantekening op artikel 1 CVA, de Aantekening op artikel 8, lid 1, onder c, CVA en Decision 3.1. Treatment of interest charges in the Customs value of imported goods. (Adopted, 9th meeting, 26 April 1984). Onder het DWU zijn alle niet in de douanewaarde te begrijpen elementen opgenomen in artikel 72.
S.L. Sherman & H. Glashoff, Customs valuation: commentary on the GATT customs valuation code, ICC Pub: 1988, p. 155. Zie in dat verband bijvoorbeeld onderdelen 11.2.4 en 11.8.7 (onderscheid tussen verkoopcommissie en inkoopcommissie), 11.4.3.6 en 11.4.3.7 (onderscheid tussen verschillende toeleveringen), 11.4.3.8 (onderscheid tussen toelevering en royalty of licentierecht), 11.5.3, 11.8.6 en 11.8.9 (onderscheid royalty of licentierecht en reproductie- en distributierechten) en 11.7.6 en 11.8.3 (onderscheid vervoer buiten en binnen de Europese Unie).
De transactiewaarde van de ingevoerde goederen bestaat uit de werkelijk betaalde of te betalen prijs. Om te voorkomen dat de douanewaarde gebaseerd wordt op een fictieve of arbitraire waarde, moet de werkelijk betaalde of te betalen prijs op bepaalde punten worden aangepast. Zo moet ter voorkoming van onderwaardering van de ingevoerde goederen de werkelijk betaalde of te betalen prijs worden verhoogd met bepaalde prijselementen voor zover zij niet reeds in de voor de ingevoerde goederen werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn begrepen en aan bepaalde specifieke voorwaarden is voldaan. Indien niet aan de specifieke voorwaarden wordt voldaan, kunnen de betalingen niet alsnog worden bijgeteld via artikel 1 CVA (artikel 70 DWU). Zoals Sherman & Glashoff mijns inziens terecht opmerken:1
“A cost which cannot be treated as an addition to the price because of the limitations of Article 8 should not be treated as a part of the price under Article 1.”
Dit is ook logisch, omdat de extra voorwaarden die staan genoemd in artikel 8 CVA (artikel 71 DWU) om tot ‘bijtelling' over te gaan, anders hun betekenis zouden verliezen. Artikel 8 CVA (artikel 71 DWU) noemt de volgende (prijs)elementen:2
Commissies en courtages, met uitzondering van inkoopcommissies (onderdeel 11.2);
Kosten van het verpakken (onderdeel 11.3);
Toeleveringen aan de verkoper (‘assists’) (onderdeel 11.4);
Royalty’s en licentierechten (onderdeel 11.5);
Opbrengst uit latere opbrengst (onderdeel 11.6);
Kosten van vervoer en verzekering (onderdeel 11.7).
Voornoemde elementen worden enkel aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs toegevoegd indien zulks blijkt uit objectieve en meetbare gegevens en zij niet reeds in de werkelijk betaalde of te betalen prijs zijn opgenomen.3 Dat laatste voorkomt dat een prijselement tweemaal in de heffing wordt betrokken. Dubbele heffing van een gedeelte van de economische waarde van een ingevoerd goed met invoerrechten verhoudt zich niet met de algemene uitgangspunten van het douanewaardesysteem van de WHO dat een rechtvaardige, eenvormige en neutrale vaststelling van de douanewaarde voorstaat, waarbij willekeurig vastgestelde of fictieve douanewaarden worden uitgesloten.4 Tegen die achtergrond is dit een logische voorwaarde. Buiten voornoemde elementen worden, voor de vaststelling van de werkelijk betaalde of te betalen prijs, geen andere elementen in aanmerking genomen.5 Het feit dat alleen tot objectivering van de werkelijk betaalde of te betalen prijs wordt overgegaan in gevallen waarin het douanerecht voorziet in aanpassingen, past bij het principe dat de douanewaarde zoveel als mogelijk wordt gebaseerd op de transactiewaarde van de ingevoerde goederen, waarbij wordt uitgegaan van een subjectieve waardebenadering (werkelijk betaalde of te betalen prijs die partijen overeenkomen). Dat een aanpassing enkel in aanmerking genomen kan worden als daar wettelijk in wordt voorzien, wordt ook door het Hof van Justitie onderstreept. Uit de zaak Hamamatsu Photonics Deutschland GmbH tegen Hauptzollamt München kan mutatis mutandis namelijk worden afgeleid dat aanpassingen aan de werkelijk betaalde of te betalen prijs enkel plaatsvinden voor zover daarin is voorzien in de wetgeving.6
De bijtelelementen zullen in de onderdelen 11.2 tot en met 11.7 nader worden toegelicht. In onderdeel 11.8 wordt op de elementen ingegaan die niet in de douanewaarde moeten worden begrepen.7 Het doel van deze aftrekelementen is om overwaardering van de ingevoerde goederen te voorkomen. Bepaalde elementen zullen in dit hoofdstuk in pari materia (in onderlinge samenhang) worden besproken.8 Op deze manier kan de reikwijdte van elk van de elementen zo goed als mogelijk worden bepaald. Dit is noodzakelijk omdat elk element onder andere voorwaarden al dan niet in aanmerking genomen moet worden voor het bepalen van de douanewaarde. Zo zijn opbrengsten uit latere opbrengst belast overeenkomstig artikel 71, lid 1, onderdeel d, DWU, maar heeft deze bepaling niet tot doel betalingen voor royalty of licentierechten te belasten die niet belastbaar zijn onder artikel 71, lid 1, onderdeel c, DWU. Dit principe, inhoudende dat elk element zijn eigen reikwijdte kent en niet tot doel heeft om de werking van een ander element aan te tasten, geldt voor elk van de in de artikelen 71 en 72 DWU genoemde elementen. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een deelconclusie in onderdeel 11.9 waarin de volgende deelvraag wordt beantwoord:
“Op welke wijze moeten de voorwaarden voor het in aanmerking nemen van de elementen van de transactiewaarde worden geïnterpreteerd, zodat de transactiewaarde overeenkomt met de werkelijk betaalde of te betalen prijs van de goederen op het moment dat deze ten invoer worden aangegeven?”