Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/6.2.2
6.2.2 Soortzaken
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS624457:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie Asser /Mijnssen /De Haan/Van Dam 3-I 2006, ru. 93.
Zie HR 10 februari 1978, NJ 1979, 338 (Nieuwe Matex): 'Het feit dat uit de ceel zelf niet te lezen valt, waar de vloeistof ligt opgeslagen, voor welke de ceel is uitgegeven, neemt niet weg dat de rechtmatige houder van de ceel tegenover het opslagbedrijf aanspraak heeft op uitlevering van – of uit – die bepaalde voorraad waarop de ceel betrekking heeft.' Het beroep op de regel zoals gegeven in HR 12 januari 1968, NJ 1968, 274 (Teixeira de Mattos), wordt mijns inziens terecht afgewezen. Mijns inziens dient rekening te worden gehouden met het gegeven dat hier 'echte' soortzaken in het geding zijn en geen specieszaken waarvan niet meer bewezen kan worden dat het de oorspronkelijke in bewaring gegeven zaken zijn. Soortzaken kunnen vermengen, waarna volgens de wet in beginsel een gemeenschap ontstaat (art. 5:15 jo art. 5:14 lid 2 BW).
Zie ook Kleijn in zijn noot onder HR 9 januari 1998, NJ 1999, 285 (MeesPierson/Bos), die aantekent dat de insteller van het vruchtgebruik hierop wel enige invloed heeft.
Zie ook Hammerstein 1977, p. 134. Vgl. HR 9 januari 1998, NJ 1999, 285 (MeesPierson/Bos), r.o. 3.3, waar bij effecten, althans de vordering op de bank met betrekking tot een beleggingsrekening, geen verbruikbare zaken zijn (vgl. art. 804 (oud) BW) en dus geen oneigenlijk vruchtgebruik werd aangenomen, maar zaaksvervanging (op grond van art. 3:213 BW) werd toegepast.
Vgl. Hammerstein 1977, p. 150: 'Zaaksvervanging heeft geen functie wanneer zaken vervangbaar zijn gesteld in die zin dat de verplichting van de 'oneigenlijke vruchtgebruiker' enkel nog bestaat in het teruggeven van een gelijke hoeveelheid van dezelfde soort.'
Niet te verwarren met de vermenging van art. 3:81 lid 2 onder e BW, waarvan sprake is als een beperkt recht en de bezwaarde eigendom in één hand komen, waardoor het beperkte recht in beginsel tenietgaat.
Dit leidt tot vergelijkbare resultaten die in het reeds aangehaalde arrest HR 10 februari 1978, NJ 1979, 338 (Nieuwe Matex) door de Hoge Raad werden geaccepteerd bij overdracht van een deel van een grotere hoeveelheid van een bepaalde soortzaak.
Deze oplossing wordt bij vermenging naar Belgisch recht door Sagaert verdedigd. Zie Sagaert 2003, p. 406 en 414.
Zie hierover verder par. 4.3.7.
Bij de afscheiding van bestanddelen van de onder 6.2.1 besproken specieszaken biedt art. 3:177 BW in een vergelijkbaar geval geen bescherming, en de in de parlementaire geschiedenis aangenomen werking van art. 3:229 of 3:213 BW bij overdracht evenmin (Parl. Gesch. Boek 3, p. 602. Zie verder par. 2.5.). Een alternatief is afscheiding te zien als een voorbereidende handeling voor de verdeling, zoals de uitgifte van de celen aan Murochem dit was voor de levering aan Easco in de casus die aanleiding gaf tot het arrest HR 10 februari 1978, NJ 1979, 338 (Nieuwe Matex). Zie hierover Van Schilfgaarde in zijn noot, AA 1978, p. 519 e.v., onder 6. Dit is echter niet eenvoudig in overeenstemming te brengen met het goederenrechtelijke systeem.
198.
Waar bij de unieke of herkenbare specieszaken geen discussie mogelijk is over de identiteit en de omvang van de zaak, wordt de omgang met soortzaken in het rechtsverkeer door de homogeniteit van de betrokken materie sterk beïnvloed. Zoals gezegd kent het goederenrecht geen aanspraken op uitsluitend naar soort en hoeveelheid bepaalde zaken. Deze regel is vermoedelijk terug te voeren op de gedachte dat een dergelijke aanspraak veel te vaag is en tot eindeloze discussies leidt als zij wordt geaccepteerd. Een gevolg hiervan is dat soortzaken steeds een nadere afbakening of afscheiding behoeven voordat zij als zelfstandige, geïndividualiseerde soortzaken onderwerp kunnen zijn van rechten. Hierbij is de feitelijke situatie van belang.1 Je kunt alleen eigenaar zijn van twee ton ijzererts of duizend kilo rode bessen, als zij ergens op een berg op een terrein of in het koelhuis liggen. Deze bergen maken het erts en de bessen individualiseerbaar doordat zij op een bepaalde plaats liggen. Daarnaast kunnen hoeveelheden vloeistof in een tank worden geïndividualiseerd als uit de administratie blijkt dat een bepaalde hoeveelheid in een aangeduide opslagtank is te vinden, ook wanneer zich in dezelfde tank een partij bevindt die van een ander is. In dat geval is echter wel sprake van de mede-eigendom voor een bepaald aandeel in de zaak, zijnde het geheel dat in de betreffende tank is opgeslagen.2
Naast het feit dat soortzaken geen zelfstandige, blijvende 'grens' hebben en een verdere individualisering nodig is voor hier rechten op kunnen rusten, wordt de behandeling van deze zaken in het recht beïnvloed door het feit dat het hier in beginsel om vervangbare en verbruikbare zaken gaat. Contractspartijen kunnen weliswaar afspreken dat een specifieke partij rogge onderwerp is van hun verbintenissen, waarbij zij ruimschoots voldoen aan de grenzen van art. 6:227 BW, maar dit verandert niets aan het gegeven dat rogge een universeel product is dat door vergelijkbare materie vervangen kan worden. Van deze feitelijke vervangbaarheid en verbruikbaarheid wordt in het navolgende uitgegaan. Deze eigenschappen maken dat bruikleen en vruchtgebruik niet kunnen worden toegepast op soortzaken en wel bij specieszaken. Het verschaffen van de macht over een zaak tast bij unieke individueel bepaalde zaken de eigendomsverhoudingen niet aan. De eigenaar blijft ongewijzigd en een ander wordt houder. Nu de meeste soortzaken niet gebruikt kunnen worden zonder dat zij daarbij uit de bestaande rechtsverhouding verdwijnen in combinatie met de algemene vervangbaarheid, wordt veelal aangenomen dat deze zaken in geval van bruikleen en vruchtgebruik worden overgedragen.3 De verkrijger wordt eigenaar en krijgt de verplichting om na verloop van tijd vergelijkbare zaken terug over te dragen aan de oorspronkelijke eigenaar. Bij deze oneigenlijke vorm van vruchtgebruik ontstaat dus geen beperkt recht, waardoor zaaksvervanging hier ook niet aan de orde is.4 De eigendom van de 'hoofdgerechtigde' vertaalt zich in een vordering tot levering, vergelijkbaar met de vorderingen besproken in paragraaf 2.11. 5 Bij pandrechten en gemeenschappelijke eigendom kunnen echter wél gecombineerde aanspraken van verschillende personen op een zaak ontstaan en dan zijn de mogelijkheden van behoud van deze aanspraken eventueel wel problematisch.
199.
Evenals de hierboven onder 6.2.1 beschreven individueel bepaalde roerende zaken, kunnen ook soortzaken betrokken raken bij zaaksvorming. IJzererts kan worden gesmolten om ijzer te winnen en dat kan vervolgens in mallen worden gegoten waardoor lantarenpalen ontstaan. Rechten van derden die rusten op het ijzererts gaan hiermee verloren, omdat de zaak waarop zij betrekking hadden, ophoudt te bestaan. Ook hier is slechts een uitzondering mogelijk indien, anders dan naar de heersende leer, een ruimere toepassing aan art. 5:16 lid 1 BW wordt gegeven, waardoor niet alleen eigendom, maar ook beperkte rechten op deze wijze kunnen worden vervangen.
Vermenging in de zin van art. 5:15 BW is een probleem waarmee eigenaren van en andere gerechtigden tot individueel bepaalde zaken niet te kampen hebben.6 Hiervan is bijvoorbeeld sprake indien twee vloeistoffen die zich in afgescheiden delen van een grotere tank bevinden, bijeenraken doordat het tussenschot breekt. Er ontstaat dan een grote, geïndividualiseerde hoeveelheid die, door de van toepassing verklaarde werking van art. 5:14 lid 2 BW, gemeenschappelijk toebehoort aan de eigenaren van de oorspronkelijke zaken.7 Wanneer op een van beide hoeveelheden een pandrecht rustte, moet naar de heersende leer worden aangenomen dat geen vervangend pandrecht kan worden uitgeoefend op (het aandeel in) de nieuwe zaak. Vermenging in de zin van art. 5:15 BW betekent daarom ook het einde van beperkte rechten die door zaaksvervanging zijn verkregen.
Gemeenschappelijke eigendom kan bij vermenging wel behouden blijven. Het aandeel in de nieuwe zaak wordt dan gemeenschappelijk gehouden door de oorspronkelijke deelgenoten. In dat geval treedt zaaksvervanging op doordat de vermenging in de eerste stap leidt tot de verkrijging van een aandeel, waarna hierop in de tweede stap vervangende aanspraken in de vorm van mede-eigendom van het aandeel in de nieuwe zaak ontstaan.
Wanneer eenmaal vermenging is opgetreden, kan ook een hierop volgende afscheiding van afzonderlijke geïndividualiseerde hoeveelheden de gevolgen hiervan niet ongedaan maken. Naar de heersende leer leidt het aanvankelijke vermengen tot het tenietgaan van beperkte rechten. Het later afscheiden van vergelijkbare delen doet hier niets aan af, nu het herleven van rechten zoals in paragraaf 5.2.2 is gesteld, moet worden afgewezen. Beperkte rechten kunnen wel blijven worden uitgeoefend, als art. 5:14 lid 2 BW zo wordt uitgelegd dat ook beperkte rechten op de oorspronkelijke zaak worden vervangen door vergelijkbare rechten op de nieuwe zaak.8
200.
Een andere vraag is wat er gebeurt met rechten gevestigd op de eenmaal door vermenging ontstane zaak. De scheiding hiervan moet mijns inziens goederenrechtelijk worden geacht gepaard te gaan met het ontstaan van nieuwe zaken. Deze horen toe aan de eigenaar van de oorspronkelijke zaak. Beperkte rechten die op de oorspronkelijke zaak rusten, overleven deze deling naar de heersende leer niet, nu alle originaire verkrijgingen die met de onderhavige verkrijging kunnen worden vergeleken, uitsluitend eigendom toekennen en geen beperkte rechten voortzetten op de nieuwe zaken.9 Wanneer de zaak aanvankelijk toekomt aan twee deelgenoten, moet worden aangenomen dat het ontstaan van de nieuwe zaken waarop mede-eigendom van toepassing is, voorafgaat aan een verdeling in de zin van art. 3:182 BW, waardoor elk van hen vervolgens een van deze nieuwe zaken kan worden toegedeeld. Eventuele op een aandeel gevestigde rechten hebben in beginsel geen last van de feitelijke deling van de gemeenschappelijke zaken, nu de nieuwe zaken tot de gemeenschap gaan horen op grond van art. 3:167 BW en aannemelijk is dat art. 3:177 BW op deze verandering van overeenkomstige toepassing is.10