Einde inhoudsopgave
Sfeerovergangen in de winstsfeer (FM nr. 172) 2022/3.4.1
3.4.1 De waardering van vermogensbestanddelen op de fiscale openingsbalans; invulling door de Hoge Raad
Mr. dr. B.F.M. Coebergh, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
Mr. dr. B.F.M. Coebergh
- JCDI
JCDI:ADS630609:1
- Vakgebied(en)
Internationaal belastingrecht / Heffingsbevoegdheid
Vennootschapsbelasting / Winstbepaling
Inkomstenbelasting / Winst
Voetnoten
Voetnoten
De Hoge Raad heeft deze rechtsregel meerdere keren herhaald, zie bijvoorbeeld HR 24 juni 1953, nr. 11 380, BNB 1953/189, waarin ook wordt aangesloten bij het bedrag dat de ondernemer zou moeten opofferen, zijnde de ‘werkelijke waarde’.
In artikel 10, tweede lid, Besluit IB 1941, was de volgende definitie van bedrijfswaarde opgenomen: ‘Onder bedrijfswaarde wordt verstaan de waarde, welke een verkrijger, bij overneming van het gehele bedrijf of beroep, zou toekennen aan het afzonderlijk activum, indien hij zou uitgaan van de overnemingwaarde van het geheel en voornemens zou zijn de uitoefening van het bedrijf of beroep voort te zetten’.
Voor een nadere uiteenzetting van het begrip bedrijfswaarde verwijs ik naar Berkhout, onderdeel 8b en Meussen 1997.
Zie ook S.A. Stevens 2003, pagina 312.
BNB 2016/139.
Hierbij kan nog de vraag worden gesteld of deze uitlating alleen van toepassing is bij een sfeerovergang waar hoofdstuk 2, artikel I, onderdeel M, lid 1 Invoeringswet Wet IB 2001 op van toepassing is of geldt voor alle sfeerovergangen. In voornoemd artikel is expliciet bepaald dat de vermogensbestanddelen moeten worden gewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer. Mijns inziens heeft de overweging echter een breder bereik omdat uit de jurisprudentie blijkt dat bij alle sfeerovergangen moet worden gewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer.
In dit arrest maakt de Hoge Raad geen voorbehoud meer (in zijn algemeen is niet opgenomen in de rechtsoverweging). Mijns inziens impliceert dit echter niet dat de Hoge Raad van mening is dat er geen ruimte meer is om van de hoofdregel af te wijken. Daarvoor is de overweging namelijk te algemeen en heeft door het gebruik van de term ‘het vermogensbestanddeel’ slechts betrekking op onderhavige casus.
Het eerste arrest over de waardering van vermogensbestanddelen op de fiscale openingsbalans is HR 2 april 1947, B. 8335. In dit arrest ging het over de waardering van ondernemingsvermogen op de fiscale openingsbalans van de erfgenamen.1 De Hoge Raad overwoog dat bij een sfeerovergang een vermogensbestanddeel moet worden gewaardeerd op het bedrag dat door de ondernemer is opgeofferd of had moeten worden opgeofferd voor de verkrijging daarvan krachtens een normale overeenkomst, waarbij de waarde langs zuiver zakelijke weg was bepaald:
‘Dit doel van de beginbalans brengt mede de activa te waarderen op het bedrag dat door de nieuwe eigenaar of door de nieuwe eigenaren opgeofferd is of had moeten worden opgeofferd voor de verkrijging daarvan krachtens een normale overeenkomst, waarbij de waarde langs zuiver zakelijke weg was bepaald welke bedrag veelal zal overeenstemmen met de bij artikel 10, tweede lid, Besluit IB 1941 bedoelde bedrijfswaarde’.
De bedrijfswaarde is de waarde die een verkrijger, als hij de gehele onderneming zou overnemen, zou toekennen aan het afzonderlijke activum, indien hij zou uitgaan van de overnemingswaarde van het geheel en van plan zou zijn de onderneming voort te zetten. De waarde van een vermogensbestanddeel moet derhalve worden bepaald aan de hand van de plaats die het vermogensbestanddeel inneemt in de onderneming.23 Anders dan bij het bepalen van de waarde in het economische verkeer zijn voor het bepalen van de bedrijfswaarde de uitgaven en inkomsten van de huidige eigenaar van belang. Bij een bedrijfswaardeberekening wordt dus uitgegaan van de bestaande situatie. De Hoge Raad heeft het over ‘het bedrag dat door de nieuwe eigenaar of door de nieuwe eigenaren opgeofferd is of had moeten worden opgeofferd’ zodat er ook ruimte lijkt te zijn voor toepassing van de vervangingswaarde.
In de loop van de jaren heeft de Hoge Raad echter elke keer als maatstaf de waarde in het economische verkeer genoemd.4 In BNB 1991/90 overweegt de Hoge Raad bijvoorbeeld expliciet:
‘4.3. In het algemeen dient bij de aanvang van de belastingplicht voor de vennootschapsbelasting van een lichaam dat een onderneming drijft, de waarde van het ondernemingsvermogen ter berekening van de door het lichaam te behalen winst te worden gesteld op de gezamenlijke waarde in het economische verkeer van de tot dat vermogen behorende activa en passiva, met inbegrip van de goodwill, ook voor zover deze in de eigen onderneming is opgebouwd.’
Ook uit dit arrest blijkt – door de toevoeging van ‘in het algemeen’ – dat er uitzonderingen op de hoofdregel zijn en onder omstandigheden geen waardering tegen waarde in het economische verkeer plaatsvindt.
In het meest recente arrest waarin de waardering van vermogensbestanddelen op de fiscale openingsbalans aan de orde was, heeft de Hoge Raad overwogen dat bij de bepaling van de waarde in het economische verkeer rekening moet worden gehouden met de contractuele relaties die de belastingplichtige met een derde heeft. Het opnemen van het vermogensbestanddeel in het werkzaamheidsvermogen per 1 januari 2001 moet op één lijn worden gesteld met de verwerving per die datum van een dergelijk vermogensbestanddeel van een derde.567
De regels van de Hoge Raad zijn derhalve beknopt, maar duidelijk is dat op de fiscale balans de vermogensbestanddelen moeten worden gewaardeerd tegen de waarde in het economische verkeer. Slechts in zeer specifieke gevallen geldt er een activeringsverbod (paragraaf 3.3.2). De invulling van het begrip ‘waarde in het economische verkeer’ is echter nog onduidelijk. Dit zal ik in onderstaande subparagrafen nader onderzoeken.