Einde inhoudsopgave
Bewijsrecht in fiscale bestuurlijke boetezaken (FM nr. 180) 2024/8.2.2.2
8.2.2.2 De fiscale bestuurlijke boete en de aanvang van de ‘criminal charge’
mr. drs. A. Heidekamp, datum 13-10-2023
- Datum
13-10-2023
- Auteur
mr. drs. A. Heidekamp
- JCDI
JCDI:ADS940313:1
- Vakgebied(en)
Fiscaal bestuursrecht (V)
Fiscaal procesrecht (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie paragraaf 3.5, alsmede paragraaf 9.3.2.2.1 hierna.
EHRM 20 oktober 1997 (Serves), nr. 82/1996/671/893, Reports 1997-VI.
EHRM 27 februari 1980 (Deweer), nr. 6903/75, Publ. Ser. A, nr. 35, par. 46, EHRM 10 december 1982 (Corigliano), nr. 8304/78, Publ. Ser. A, nr. 57, p. 13, par. 34.
EHRM 23 juli 2002 (Västberga Taxi), nr. 36985/97, BNB 2003/2, V-N 2003/9.8, par. 103-104.
Zie omtrent het aanvangsmoment in Nederlandse fiscale bestuurlijke boetezaken (en fiscale strafzaken) uitgebreid: Wijsman 2017, paragraaf 15.4.
Zie bijvoorbeeld HR 22 april 2005, BNB 2005/337, waarin de Hoge Raad enige vuistregels gaf betreffende de redelijke termijn van art. 6 lid 1 EVRM. In r.o. 4.2 merkte de Hoge Raad met betrekking tot de aanvang van die redelijke termijn het volgende op [cursivering van mij]: ‘Als zodanige handelingen dienen in elk geval aangemerkt te worden de kennisgevingen als bedoeld in de artikelen 67g, lid 2, en 67k, lid 1, AWR.’ Zie voorts HR 5 oktober 2007, BNB 2008/84 en het al wat oudere HR 23 juni 1993, BNB 1993/271, waaruit blijkt dat de Hoge Raad aansluiting heeft gezocht bij de op dit punt gewezen jurisprudentie van de strafkamer (vgl. HR 17 februari 1987, NJ 1987, 951).
Zie ook Haas & Jansen 2013, par. 2. Vgl. voorts Hof Leeuwarden 18 februari 2014, V-N 2014/26.1.1, r.o. 4.30: wegens samenhang gold de aankondiging van de eerste boetebeschikking ook als aanvangsmoment voor de later opgelegde boetebeschikkingen. Zie over de bedoelde verplichtingen als zodanig nader paragraaf 12.2.7.
Aldus ook: Wijsman 2017, par. 15.4.3. De Awb-wetgever heeft (vooral vanuit de behoefte om het aanvangstijdstip van het zwijgrecht vast te stellen) veel aandacht besteed aan het aanvangsmoment van de criminal charge, zie Kamerstukken II 2003/04, 29 702, nr. 3, p. 95. Dat heeft geresulteerd in het begrip ‘verhoor’ zoals dat in art. 5:10a Awb is opgenomen. Zie omtrent dit verhoor nader paragraaf 11.2.6.2.
Rb Noord-Nederland 1 oktober 2015, NTFR 2016/1545, r.o. 9.6. Zie omtrent de aangifteverzuimboete nader paragraaf 9.3.3.2.
Een dergelijke situatie was aan de orde in Rb Den Haag 22 augustus 2017, V-N 2017/55.6, r.o. 4.
Aldus ook Rb Den Haag 14 mei 2021, V-N 2021/37.2.8, r.o. 33 (zie voor de afloop Hof Den Haag 25 mei 2022, V-N 2022/37.14).
Wijsman 2017, par. 15.4.2.2 (zie ook de bespreking van verschillende arresten aldaar). Zie bijvoorbeeld ook HR 6 mei 1998, BNB 1998/275, waarin een strafrechtelijk huiszoeking in samenwerking met de Belastingdienst als aanvangsmoment werd aangemerkt.
In dezelfde zin: Wijsman 2017, par. 15.4.2.3.2 en par. 15.4.3.6. Feteris heeft daarentegen gesignaleerd dat het EHRM het begin van de criminal charge in bestuurlijke boetezaken steeds verder lijkt op te schuiven in de richting van de bezwaar- of zelfs de beroepsprocedure, zie Feteris 2007, p. 364-365.
Omdat de Nederlandse fiscale bestuurlijke boetes (ook de verzuimboetes) moeten worden aangemerkt als een criminal charge in de zin van art. 6 EVRM,1 gelden de waarborgen van art. 6 EVRM rechtstreeks in de Nederlandse rechtsorde. In paragraaf 8.2.2.1 merkte ik op, dat die waarborgen ook voor het boeterechtelijke bewijsrecht van grote betekenis zijn. Van belang daarbij is wel, dat de waarborgen van art. 6 EVRM als regel pas kunnen worden ingeroepen vanaf het moment dat de criminal charge een aanvang heeft genomen. Welk moment dat precies is, moet worden bepaald aan de hand van de autonome betekenis die dat begrip volgens het EHRM in de context van het EVRM heeft. Voor deze beoordeling is het nationale recht dus niet doorslaggevend.2
Volgens het EHRM moet de situatie van de betrokkene ‘substantially affected’ zijn. Daarvan is in ieder geval sprake vanaf het moment van ‘de officiële kennisgeving van de beschuldiging door de bevoegde autoriteit’. Het is echter niet uitgesloten dat ook andersoortige gedragingen van de bevoegde autoriteit (of een opeenstapeling daarvan) een criminal charge kunnen opleveren.3 De aankondiging door de Belastingdienst van het voornemen om aanslagen met boetes op te leggen, kan bijvoorbeeld als zodanig hebben te gelden.4
Vertaald naar de Nederlandse situatie betekent het voorgaande dat er in fiscale bestuurlijke boetezaken geen vast aanvangsmoment is aan te wijzen.5 De Hoge Raad hanteert als criterium voor de aanvang van de criminal charge het moment waarop jegens de belastingplichtige een handeling is verricht waaruit deze in redelijkheid de verwachting heeft kunnen ontlenen dat de inspecteur aan hem een boete zal opleggen.6 Daarvan zal in ieder geval sprake zijn vanaf het moment waarop de inspecteur aan de kennisgevingsplicht vooraf, dan wel aan de mededelingsplicht heeft voldaan.7 Datzelfde geldt voor het afnemen van een (eerste) verhoor ex art. 5:10a Awb.8 Ook de mededeling van de inspecteur dat er, met het oog op een mogelijk op te leggen vergrijpboete, gedurende maximaal een half jaar (nader) onderzoek wordt verricht naar de aanwezigheid van opzet of grove schuld, kwalificeert naar mijn mening als de aanvang van de criminal charge.9 In het kader van de aangifteverzuimboete kan voorts gedacht worden aan de aankondiging van de boete in de aanmaningsbrief.10 Ook een mondelinge mededeling die tijdens een bespreking aan de belastingplichtige wordt gedaan, doet naar mijn mening de criminal charge aanvangen.11 Hetzelfde geldt wanneer tijdens een controle de cautie wordt gegeven.12
In het algemeen lijkt de Hoge Raad tamelijk terughoudend als het gaat om het aanvangsmoment van de criminal charge: er moet een betrekkelijk hoge mate van zekerheid bestaan dat daadwerkelijk een boete zal worden opgelegd.13 Kijkend naar de rechtsnorm uit de jurisprudentie van het EHRM (‘substantially affected’), kan het aanvangsmoment naar mijn mening echter ook eerder in de tijd zijn gelegen.14