De rechtsverhouding tussen erfpachter en erfverpachter (R&P nr. VG10) 2019/6.7.4
6.7.4 Waarde erfpachtrecht ex artikel 5:87 lid 2 BW
Jacqueline Broese van Groenou, datum 01-12-2018
- Datum
01-12-2018
- Auteur
Jacqueline Broese van Groenou
- JCDI
JCDI:ADS384822:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Genotsrechten
Voetnoten
Voetnoten
Rb. Rotterdam 14 juni 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AY6211 (erfverpachter/11 erfpachters).
Rb. Rotterdam 14 juni 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AY6211, r.o. 2.4: “De rechtbank heeft in voormeld tussenvonnis van 31 december 2003 geoordeeld (rechtsoverweging 2.9) dat noch uit artikel 166 Ow NBW, noch uit enige andere regel van overgangsrecht kan worden afgeleid dat aan de verplichting om de waarde van de erfpacht te vergoeden geen onmiddellijke werking toekomt. De rechtbank is dan ook van oordeel dat artikel 5:87 lid 2 BW onmiddellijke werking heeft en daarmee van toepassing is op de onderhavige opzegging van het recht van erfpacht. Dit oordeel ontleent de rechtbank aan de Parlementaire Geschiedenis Overgangswet nieuw Burgerlijk Wetboek (MvA II Inv., pagina 145). De eisen van redelijkheid en billijkheid leiden niet tot een ander oordeel.”
Rb. Rotterdam 24 april 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:CA3047 (Rotterdam/erfpachter), r.o. 7.16-7.17.
Pleysier 2007a.
Pleysier 2007a.
Pleysier 2007a.
Vonck 2013, p. 276-277.
Hof Den Bosch 5 juli 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:2702 (Autoreinigingsbedrijf/Tilburg).
Hof Den Bosch 5 juli 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:2702, r.o. 3.9.3. Nadruk toegevoegd.
Hof Den Bosch 5 juli 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:2702, r.o. 3.9.2: ‘[appellante = de erfpachter] heeft tot uitgangspunt genomen de werkwijze van de Belastingdienst bij het vaststellen van de overdrachtsbelasting bij de overdracht van een recht van erfpacht. Concreet betekent dit dat [appellante] de waarde van de erfpacht heeft bepaald door de jaarlijks verschuldigde canon te vermenigvuldigen met 17. [appellante] stelt de waarde van de erfpacht aldus berekend op € 499.000,-. [appellante] doet voorts een beroep op de wijze waarop de schadevergoeding ingevolge artikel 27 van de algemene voorwaarden moet worden berekend (in het geval de Gemeenteraad de erfpacht doet eindigen omdat hij dit wenselijk acht). De Gemeente is van mening (na eerder een ander standpunt te hebben ingenomen) dat de waarde van de erfpacht dient te worden bepaald door de gebruikswaarde van het perceel in het economisch verkeer vast te stellen, uitgaande van de grondwaarde in volle eigendom en verder rekening houdend met factoren als het toegestane gebruik, de looptijd en de hoogte van de canon. De Gemeente berekent de waarde aldus (onder verlating van het eerdere standpunt dat deze € 275.000,- bedraagt) op nihil.’
Hof Den Bosch 27 december 2016, ECLI:NL:GHSHE:2016:5656 (Autoreinigingsbedrijf/Tilburg).
Rb. Arnhem 11 juli 2012, ECLI:NL:RBARN:2012:BX6404 (Natuurmonumenten/erfpachter), r.o. 2.21: “In opdracht van Natuurmonumenten heeft J [makelaar] de onderhandse verkoopwaarde vrij van huur en gebruik per 9 februari 2011 getaxeerd op € 100.000,-- voor: ‘Ondergrond van de woning en erf en tuin 500 m²’ en € 30.000,-- voor ‘opstal recreatiewoning ca. 300 m³’, totaal € 130.000,--.” In r.o. 4.12 werd het door de erfverpachter gevorderde bedrag verminderd met de getaxeerde waarde van de opstal van € 30.000,-.
Rb. Rotterdam 12 januari 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BP7004 (erfpachter/Rotterdam), r.o. 4.6. Dezelfde formule wordt gehanteerd in Rb. Rotterdam 7 september 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BS8898, RVR 2011/124 (erfpachter/Rotterdam) en in Rb. Rotterdam 24 april 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:CA3047 (Rotterdam/erfpachter), r.o. 7.19.
Rb. Rotterdam 7 september 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BS8898, onder het kopje ‘vergoeding artikel 5:87 lid 2 BW en artikel 5:99 BW’.
Rb. Rotterdam 7 september 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BS8898. Bevestigd in Rb. Rotterdam 24 april 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:CA3047, r.o. 7.20.
Rb. Rotterdam 7 september 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BS8898. Bevestigd in Rb. Rotterdam 24 april 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:CA3047, r.o. 7.22.
Bijvoorbeeld Rb. Rotterdam 7 september 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BS8898 en Rb. Rotterdam 24 april 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:CA3047, r.o. 7.23.
Rb. Rotterdam 11 december 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:10874 (Woonbron/erfpachter), r.o. 4.21: “De rechtbank is van oordeel dat bij de bepaling van de hoogte van de vergoeding de in de akte vestiging ondererfpacht koopgarant neergelegde formule als uitgangspunt dient te worden genomen, nu partijen dit uitdrukkelijk zijn overeengekomen. Een tussen partijen als gevolg van de overeenkomst geldende regel is niet van toepassing, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (artikel 6:248 lid 2 BW). Gesteld noch gebleken is, dat hiervan sprake is. (…) Voor zover [gedaagde] heeft betoogd dat de vergoeding gelijk dient te zijn aan de nog door taxatie vast te stellen waarde en niet op basis van de in de akte neergelegde formule dient te worden vastgesteld, overweegt de rechtbank, dat [gedaagde] destijds de woning voor 75% van de marktprijs van Woonbron heeft gekocht en deze aankoopprijs ook bij de bepaling van de waarde van de vergoeding een rol dient te spelen.”
Rb. Rotterdam 24 april 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:CA3047, r.o. 7.21: “De Gemeente heeft nog aangevoerd dat indien bij de berekening van de waarde van de erfpacht rekening wordt gehouden met de waarde van de opstal, het voor [gedaagde], evenals voor andere erfpachters, aantrekkelijk kan zijn om in ernstige mate tekort te schieten. De Gemeente wijst er daarbij op dat de praktijk leert dat een recht van erfpacht als het onderhavige veelal betrekking heeft op een incourant object waarin bijvoorbeeld, zoals in dit geval, hennep wordt gekweekt. Eenieder die van zijn incourante recht van erfpacht af wil, zou derhalve worden beloond voor het uitoefenen van illegale activiteiten die een opzegging rechtvaardigen, nu de erfpachter in dat geval de waarde van het recht van erfpacht te allen tijde krijgt vergoed, terwijl de erfpachter zijn recht van erfpacht in de huidige vastgoedmarkt niet of nauwelijks kwijtraakt, aldus de Gemeente. De rechtbank volgt de Gemeente hierin niet, nu de hoogte van de vergoeding immers afhangt van de waarde van het erfpachtsrecht ten tijde van de opzegging. Bij de bepaling van de waarde van dit recht zal een deskundige meewegen de courantheid van het object en de stand van de vastgoedmarkt. In een slechte markt en bij een incourant object zal de vergoeding dus navenant zijn. Daar komt bij dat de Gemeente krachtens artikel 5:99 lid 2 BW (onder omstandigheden) de mogelijkheid heeft (bij het einde van de erfpacht) een vergoeding voor de opstal aan de erfpachter uit te sluiten. Dat de Gemeente van de mogelijkheid geen gebruik heeft gemaakt doet aan het bestaan van die mogelijkheid niet af.”
Rb. Rotterdam 11 december 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:10874, r.o. 4.20.
Rb. Rotterdam 14 juni 2006, ECLI:NL:RBROT:2006:AY6211 (erfverpachter/11 erfpachters), r.o. 2.6.
Rb. Rotterdam 24 april 2013, ECLI:NL:RBROT:2013:CA3047, r.o. 7.25 onder f.
Rb. Amsterdam 13 januari 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BN0313 (hypotheekhouder/Fagoed).
Een beschrijving van de twee methoden waar de grondeigenaar zich op beroept is te vinden in Rb. Amsterdam 13 januari 2010, ECLI:NL:RBAMS:2010:BN0313, r.o. 4.3: ‘(…) Fagoed gaat primair uit van de Fagoed-methode, gebaseerd op de met [B] overeengekomen erfpachtconstructie. Op grond van deze methode wordt de waarde van het erfpachtrecht bepaald door de actuele agrarische waarde te verminderen met de door de erfpachter verschuldigde terugkoopsom per het einde van de erfpacht op basis van de erfpachtovereenkomst. Gelet op artikel 10 lid 3 in verbinding met artikel 2 lid 2 van de erfpachtovereenkomst dient de terugkoopsom te worden bepaald op basis van de geïndexeerde canon per einde van de erfpacht, te weten 5 november 2008, vermenigvuldigd met 100 gedeeld door 3,5%. Volgens Fagoed dient de waarde van de grond rond de EUR 22.000,00 per hectare te worden geschat. De rechtbank gaat ervan uit dat de waarde van de grond of de percelen hetzelfde is als de agrarische waarde. Subsidiair gaat Fagoed uit van de volgens haar algemeen geaccepteerde en veelvuldig toegepaste methode Tollner. Deze methode gaat in het onderhavige geval uit van de actuele rentestand van 5 november 2008 (5,5 %), de looptijd van de erfpacht tot het terugkoopmoment en de verschuldigde canon over die periode. De waarde van de erfpacht is de agrarische waarde minus de waarde van het blote eigendom. De waarde van het blote eigendom van de in erfpacht uitgegeven percelen wordt per hectare berekend aan de hand van de per hectare door de erfpachter verschuldigde canon, gekapitaliseerd over de resterende looptijd van het recht van erfpacht met daarbij geteld de netto contante waarde van de agrarische waarde bij het einde van de erfpacht, bij zowel de kapitalisering als de netto contante waarde, uitgaande van de actuele rentestand van 5.5 %. Deze methode houdt evenwel geen rekening met een terugkoopmogelijkheid, aldus Fagoed. Volgens Fagoed is er met de huidige rentestand echter niet veel verschil tussen de Fagoed-methode en de berekening volgens Tollner.’ Nadruk toegevoegd.
Hof Amsterdam 31 mei 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:1635 (hypotheekhouder/Fagoed) en Hof Amsterdam 1 mei 2012, ECLI:NL:GHAMS:2012:998 (hypotheekhouder/Fagoed).
Hof Amsterdam 31 mei 2011, ECLI:NL:GHAMS:2011:1635, r.o. 3.6-3.7.
Hof Amsterdam 24 september 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3282 (hypotheekhouder/Fagoed), r.o. 2.2 citeert uit het taxatierapport: “Ondergetekenden hebben eerst de waarde in het economische verkeer in vrije staat per peildatum bepaald. Uitgaande van alle feiten en omstandigheden komen deskundigen op een totale waarde van € 281.500,-, zijnde € 25.600,- per hectare. (…) Op grond van de diverse vergelijkingstransacties aangevuld met de gehanteerde rekenmethoden komen deskundigen voor onderhavig recht van erfpacht op peildatum op een waarde in het economische verkeer van circa € 5.230,- per hectare, voor 10.99.34 ha zijnde totaal € 57.500,-.”
Hof Amsterdam 24 september 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:3282, r.o. 2.5.
Bartels e.a. 2016, p. 341, in reactie op de bespreking door Vonck 2013, p. 273-274 van de niet geheel duidelijke wettekst. Volgens de jurisprudentie over opzegging in het algemeen belang zoals besproken in par. 6.4.4 heeft de erfpachter meestal recht op een vergoeding krachtens de Onteigeningswet en doet de vraag of de vergoeding berekend moet worden op grond van art. 5:87 lid 2 BW zich niet voor.
Bij de behandeling van de invoeringswetgeving van de Boeken 3, 5 en 6 van het NBW vond om politieke redenen een beoordeling plaats van vermijdbare onzekerheden en andere de werklast verzwarende aspecten in de reeds vastgestelde wetteksten, deze herziening staat bekend als de Operatie Stofkam, zie PG Voortgang BW, p. 24 voor het voorstel over de erfpachttitel. Voor een overzicht van invoeringsperikelen van het NBW zie Florijn 1994, p. 535-566.
Art. 5:87 lid 2 BW had onmiddellijke werking en dat gold ook voor de vergoeding van de waarde van het erfpachtrecht die de erfverpachter op grond van deze bepaling aan de erfpachter verschuldigd was. Zo oordeelde de rechtbank Rotterdam in 2006 met een beroep op de parlementaire geschiedenis.1 De wetgever had voor de opstalvergoeding van art. 5:99 BW een specifieke regel van overgangsrecht ingevoerd, terwijl een vergelijkbare regel ontbrak voor de vergoeding op grond van art. 5:87 lid 2 BW. Deskundigen hadden in opdracht van de rechtbank de waarde van het erfpachtrecht op de einddatum vastgesteld, daarbij rekening houdend met de aard, kwaliteit, ligging, gebruik, gebruiksmogelijkheden en bestemming, uitgaande van grond die geschikt was voor het gebruik conform de bestemming en zonder rekening te houden met bekende verontreinigingen. De erfpachter betwistte vergeefs dat de vergoeding van art. 5:87 lid 2 BW op zijn recht van toepassing was. De rechtbank toetste die uitkomst nog aan de omstandigheden van het geval, maar daaruit volgde geen uitkomst die naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.2 Een paar jaar later oordeelde de rechtbank Rotterdam dat een andersluidende contractuele bepaling op 1 januari 1992 door art. 5:87 BW werd vervangen.3 Pleysier wijdde in 2007 een beschouwing aan dit vonnis en de verhouding tussen de vergoedingen van art. 5:87 lid 2 en 5:99 BW.4 Hij constateert dat art. 5:87 lid 2 BW ook van toepassing is op oude erfpachtrechten en dat art. 5:87 lid 2 BW derogeert aan art. 5:99 BW waarin de hoofdregel bij beëindiging van een erfpachtrecht is neergelegd. De waarde genoemd in art. 5:99 BW betreft de waarde van de opstallen en die moet worden vastgesteld als het verschil tussen de waarde die de in erfpacht uitgegeven zaak bij het einde van het recht heeft en de waarde van de in erfpacht uitgegeven kale grond. De waarde van het erfpachtrecht dient te worden bepaald
‘(…) aan de hand van de opbrengst die een derde zou overhebben voor een erfpachtsrecht op het registergoed, onder dezelfde voorwaarden en voor de resterende duur.’5
Deze formulering zal hierna nog vaak terugkeren. Van de voorwaarden is vooral de hoogte van de canon bepalend voor de waarde van het recht en de vraag of deze marktconform is:
“In een ideale toestand heeft het erfpachtsrecht, althans voor wat de waarde van de grond betreft, geen waarde: de waarde moet worden weggestreept tegen de gekapitaliseerde waarde van de marktconforme canon. Bij een te lage canon zal de erfpacht een positieve waarde hebben. A fortiori zal bij een canon van nihil, namelijk bij een afgekochte canon of een erfpacht die tegen een koopprijs verworven is, de waarde van het erfpachtsrecht dicht naderen tot die van de eigendom als het een eeuwigdurend erfpachtsrecht betreft. Bij een tijdelijk erfpachtsrecht zal die waarde dan weer dalen naar gelang het einde van het erfpachtsrecht dichterbij ligt.”6
Daarnaast moet de waarde van het recht worden bepaald door de aanwezigheid van de opstallen. Vonck sluit zich aan bij Pleysier met het argument dat indien de vergoeding van art. 5:87 lid 2 BW van toepassing is er niets meer over is waarop art. 5:99 BW kan worden toegepast, nu de opstalwaarde in de waardevergoeding van art. 5:87 lid 2 BW is geïncorporeerd.7 Terecht merkt Vonck op dat de aanspraak op een opstalvergoeding in de zin van art. 5:99 BW medebepalend was voor de waarde van een erfpachtrecht in de zin van art. 5:87 lid 2 BW.
In de zaak van de autowasstraat in Tilburg benoemde de rechtbank een deskundige om de vergoeding ex art. 5:87 lid 2 BW vast te stellen.8 De rechtbank besliste:
‘(…) dat de waarde van de erfpacht op het moment dat zij door de opzegging eindigt op grond van artikel 5:87 lid 2 BW moet worden bepaald aan de hand van de opbrengst die een derde zou overhebben voor een erfpachtrecht op het perceel, onder dezelfde voorwaarden en voor de resterende duur, dat daarbij rekening moet worden gehouden met de mogelijkheid dat de canon in de toekomst kan worden verhoogd, dat tevens rekening moet worden gehouden met de bestemming van het perceel en de omstandigheid dat in casu sprake is van een eeuwigdurende erfpacht, en dat verder rekening moet worden gehouden met de omstandigheid dat op het perceel opstallen aanwezig zijn (zodat de waarde van de opstallen geacht moet worden in de waardevergoeding ex artikel 5:87 lid 2 BW te zijn inbegrepen).’9
In hoger beroep waren partijen het oneens over de wijze van berekening van de waardevergoeding.10 Het hof benoemde een deskundige om conform het oordeel van de rechtbank de waarde van het erfpachtrecht op de einddatum vast te stellen.11 In deze zaak is duidelijk dat de formulering voor de waardevergoeding van Pleysier school heeft gemaakt. Van de erfpachtvoorwaarden die voor een potentiële koper van belang zijn voor de prijs die hij bereid is te betalen kunnen genoemd worden een toekomstige canonherziening, de bestemming van het perceel, de duur van het erfpachtrecht en de waarde van de aanwezige opstallen. Uit de objectivering blijkt dat de vergoeding gesteld moet worden op de marktwaarde van het erfpachtrecht als het niet beëindigd zou zijn.
In de zaak van de oude potstal op de Veluwe werd de vergoeding voor de waarde van het recht vastgesteld op de onderhandse verkoopwaarde van de opstal zoals getaxeerd in opdracht van de erfverpachter bij het einde van het recht.12 De grondslag voor die vergoeding blijkt niet duidelijk uit het vonnis. Art. 5:87 lid 2 BW bepaalt dat de vergoeding de waarde van het erfpachtrecht omvat en dit is niet van overeenkomstige toepassing op een afhankelijk opstalrecht. De rechtbank stelde de waarde vast op de waarde van de opstal. Het gebruiksrecht kon in dit geval nauwelijks waarde hebben gehad en de opstal waar de erfpachter € 79.411,50 voor had betaald was inmiddels rijp voor de sloop. In dit geval viel de toepassing van de opstalvergoeding ex art. 5:99 BW bij het einde van het recht in het voordeel van de erfpachter uit.
De waardevergoeding ex art. 5:87 lid 2 BW is ook verschuldigd indien het erfpachtrecht wordt opgezegd wegens ernstig tekortschieten, bijvoorbeeld vanwege het aantreffen van hennepteelt. Ook dan wordt de hoogte van de vergoeding bepaald ‘aan de hand van de opbrengst die een derde zou over hebben voor een erfpachtsrecht op het registergoed onder dezelfde voorwaarden en voor de resterende duur’.13 De rechtbank Rotterdam gaf in een vonnis van 7 september 2011 een overzicht van factoren waarmee rekening gehouden moest worden bij het bepalen van de waarde van het erfpachtrecht.14 Het ging om de waarde op het moment dat het recht eindigde. De maatstaf is hierboven genoemd. Daarbij moet rekening gehouden worden met de aanwezige opstallen omdat, zoals de rechtbank in een uitvoerige motivering aangeeft, de onafhankelijke derde die het erfpachtrecht koopt waarde hecht aan de aanwezigheid van die opstallen en er anders sprake was van ongerechtvaardigde verrijking van de grondeigenaar:
“Het gaat er bij de waarderingsgrondslag van artikel 5:87 lid 2 BW immers om vast te stellen wat een derde zou willen betalen voor het erfpachtsrecht. Die derde zal in beginsel ook een waarde toekennen aan de op de grond gevestigde opstallen. De derde wordt immers door natrekking ook erfpachter van die opstallen. De door de Gemeente verdedigde uitleg van artikel 5:87 lid 2 BW – waarin de op de grond aanwezige opstallen geen rol spelen bij het vaststellen van de waarde van het erfpachtsrecht – zou het ongewenste gevolg hebben dat de erfverpachter in feite ongerechtvaardigd wordt verrijkt ten koste van de erfpachter (maar bijvoorbeeld ook ten koste van de hypotheekhouder) door de opzegging wegens wanprestatie van de erfpachter. In dat geval immers zou de erfpachter/hypotheekhouder alleen een vergoeding krijgen voor de waarde van het erfpachtsrecht op de grond, terwijl de erfverpachter door de opzegging vrij is de erfpacht, inclusief de op de grond gevestigde opstallen, aan een derde te verkopen.”15
Bij het bepalen van de hoogte van de waardevergoeding is ook relevant of de erfpachter na beëindiging recht had op een opstalvergoeding omdat dit mede de waarde van het erfpachtrecht bepaalt. Andere erfpachtvoorwaarden waarmee rekening gehouden moet worden bij het bepalen van de waarde van het erfpachtrecht in de zin van art. 5:87 lid 2 BW zijn de resterende duur van het recht en de hoogte van de canon.16 Indien de door partijen ingebrachte taxatierapporten de rechtbank niet kunnen overtuigen van de juistheid van de berekende waarde gaat de rechtbank meestal ertoe over een onafhankelijke deskundige te benoemen teneinde de waarde van het erfpachtrecht vast te stellen.17 In het geval van MGE-erfpacht kan de vergoeding worden bepaald volgens de in de vestigingsakte neergelegde formule voor de terugkoopprijs van het recht door de corporatie, tenzij uit omstandigheden blijkt dat deze berekening naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.18
Het argument dat het voor een erfpachter die van zijn incourante recht af wilde zou lonen om ernstig tekort te schieten teneinde de waardevergoeding op te strijken, werd door de rechtbank niet gevolgd.19 Dat de waardevergoeding bij einde recht niet wordt uitgekeerd aan de erfpachter, maar aan de hypotheekhouder en dat er een restschuld over zal blijven indien het bedrag van de lening hoger is dan het bedrag van de vergoeding, maakt voor de beoordeling geen verschil.20 De erfpachter had dat vooraf kunnen weten.
Met de vergoeding ex art. 5:87 lid 2 BW wordt verrekend hetgeen de erfverpachter nog van de erfpachter te vorderen heeft. Zo dienen erfpachters bijvoorbeeld de kosten van een bodemonderzoek, het opruimen van het perceel en het verwijderen van de fundering te betalen en worden de kosten daarvan, net als de kosten van het deskundigenonderzoek, verrekend met de vergoeding voor de waarde van het erfpachtrecht.21 Indien een hennepkwekerij op het perceel wordt aangetroffen worden de kosten van het ontmantelen daarvan op de waardevergoeding in mindering gebracht.22
De waarde van hetgeen de grondeigenaar nog van de erfpachter te vorderen heeft kan de waarde van het erfpachtrecht overtreffen. Dat was het geval bij een agrarisch erfpachtrecht in een Fagoed-constructie dat werd opgezegd wegens wanbetaling van de canon.23 Toen de erfpachter ten tijde van de opzegging failliet werd verklaard eiste de hypotheekhouder bij de erfverpachter de vergoeding ex art. 5:87 lid 2 jo. art. 3:229 BW op. Op grond van art. 3:229 BW had de hypotheekhouder van rechtswege een pandrecht verkregen op de vordering tot vergoeding van de waarde van het erfpachtrecht ex art. 5:87 lid 2 BW. De erfverpachter stelde dat de canonachterstand groter was dan de waarde van het erfpachtrecht zodat er geen vergoeding kon worden uitgekeerd. Het geschil betrof de wijze van berekening van de waarde van het erfpachtrecht.24 De rechtbank kwam niet toe aan het benoemen van deskundigen om de waarde van het erfpachtrecht vast te stellen omdat vooraf vaststond dat deze waarde lager zou zijn dan de vordering van de erfverpachter. In hoger beroep benoemde het hof evenwel drie deskundigen en stelde dat het uitgangspunt voor de waardebepaling van het erfpachtrecht moet zijn ‘wat een derde zou willen betalen voor het recht van erfpacht, onder dezelfde voorwaarden en voor de resterende duur van het recht van erfpacht zoals die in het concrete geval gelden’.25 Dat betekende in dit geval dat rekening moest worden gehouden met het terugkooprecht van de erfpachter.26 De deskundigen berekenden de waarde van het erfpachtrecht aan de hand van de marktwaarde van de onroerende zaak als geheel en hanteerden verschillende methodes om aan de hand van die waarde de waarde van het erfpachtrecht op de peildatum te bepalen.27 Het hof volgde het rapport van de deskundigen en wees de vordering af omdat het bedrag dat de erfverpachter van de gewezen erfpachter te vorderen had hoger was dan de vergoeding. Het hof nam tevens de vaststelling van de deskundigen over dat iedere taxatie een beredeneerde schatting van de waarde vormde:
“Ook hebben de deskundigen aangegeven dat alle methoden slechts hulpmiddelen zijn, en dat een daadwerkelijke waardebepaling alleen kan worden verkregen met behulp van vergelijkingstransacties en de interpretatie daarvan, als ook een deskundigeninterpretatie van de markt voor erfpachtrechten.”28
Dit geldt voor alle waardebepaling van grond en gebruiksrechten op grond. Ook de marktwaarde op enig moment is een inschatting, uitgaande van het hypothetische geval van wat een goed geïnformeerde koper op enig moment zou willen betalen voor een bestaand erfpachtrecht, gezien de resterende looptijd, de hoogte van de canon en de overige erfpachtvoorwaarden. Omdat een vaste index voor de waarde van grond en vaste methoden om de waarde van grond onder verschillende omstandigheden te bepalen ontbreken dient iedere waarde geschat te worden en kan een deskundigenrapport het best met een ander deskundigenrapport worden bestreden. Au fond gaat het om de argumenten die de rechter het beste weten te overtuigen, tenzij ‘harde gegevens’ beschikbaar zijn in de vorm van meerdere recente transacties van vergelijkbare erfpachtrechten. In het specifieke geval van de Fagoed-constructie kwam het mij terecht voor dat het terugkooprecht van de erfpachter in de waardering werd betrokken nu bij voorbaat voor ieder moment kon worden berekend voor welk bedrag de erfpachter zijn eigen grond weer kon terugkopen.
De waardevergoeding van art. 5:87 lid 2 BW is niet van toepassing indien wordt opgezegd op grond van art. 5:87 lid 3 BW.29 In het oorspronkelijke ontwerp had de erfpachter wiens recht ex art. 5.1.7.2 werd opgezegd geen recht op een vergoeding en degene wiens recht ex art. 5.7.1.10 vervallen werd verklaard wel. Beide beëindigingsvormen zijn als gevolg van de stofkamoperatie in hetzelfde wetsartikel ondergebracht waarbij het verschil in vergoedingsrecht kwam te vervallen.30