Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/6.5.3.3.3.4
6.5.3.3.3.4 Bouwvergunning met het oog op de bebouwing van de grond
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291313:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Tot de inwerkingtreding van de Wabo werd deze vergunning de bouwvergunning genoemd. De terminologie in het oude art. 11 lid 4, onderdeel d Wet OB is met ingang van 1 oktober 2010 aangepast op grond van art. 4.4 van de Wet van 25 maart 2010 tot vaststelling van overgangsrecht en wijziging van diverse wetten ten behoeve van de invoering van de Wabo (Invoeringswet Wabo), Stb. 2010, 142.
In de parlementaire geschiedenis is opgemerkt dat de aansluiting bij het criterium bouwvergunning het risico met zich brengt dat er te vroeg en ten onrechte btw wordt geheven in het geval de vergunning na de levering wordt ingetrokken, bijv. naar aanleiding van daartegen gevoerde bezwaren. Omdat het voor de hand ligt dat kopers zich tegen dit soort risico’s indekken door in de (koop)overeenkomst ontbindende voorwaarden op te nemen werd het risico op het te vroeg en ten onrechte btw heffen door de wetgever ‘niet erg groot’ geacht (MvT, Kamerstukken II 1993/94, 23 638, nr. 3, p. 5-6). In het beleid van de Staatssecretaris van Financiën was en is dezelfde opvatting terug te vinden: een eventuele schorsing van de vergunning, of zelfs de intrekking van de bouwvergunning ná de levering heeft geen invloed op de kwalificatie als bouwterrein ten tijde van de levering (besluit 21 januari 1998, nr. VB97/1758, V-N 1998/8.35, p. 806, ingetrokken bij het besluit 15 juni 2006, nr. CPP2005/3096M, V-N 2006/36.18 en besluit Staatssecretaris van Financiën 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 4.3.4). In gelijke zin: Hof ’s Hertogenbosch 18 maart 2011, nr. 10/00277, NTFR 2011/1216. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen deze uitspraak ongegrond verklaard onder verwijzing naar art. 81 Wet RO (HR 13 april 2012, nr. 11/02034, NTFR 2012/947). Hof Arnhem heeft in overeenstemming met het voorgaande geoordeeld dat indien vóór het tijdstip van levering van de onbebouwde grond telefonisch is medegedeeld dat de verleende bouwvergunning wordt ingetrokken, maar op het tijdstip van levering nog geen onherroepelijk besluit tot intrekking van de omgevingsvergunning is genomen, een bouwterrein wordt geleverd (Hof Arnhem 14 juli 2006, nr. 04/00417, V-N 2006/60.12). Deze uitspraak wringt naar mijn mening met de huidige definitie van het begrip ‘bouwterrein’, omdat na een dergelijke telefonische ‘intrekkingsmededeling’ moeilijk volgehouden kan worden dat sprake is van een terrein dat kennelijk bestemd is om te worden bebouwd vanwege de nog niet ingetrokken bouwvergunning. Het objectieve gegeven van de bouwvergunning is op het moment van levering immers achterhaald door het objectieve gegeven van de medegedeelde intrekking van deze vergunning waardoor het niet in de rede ligt om de status van bouwterrein louter ‘op te hangen’ aan de bouwvergunning.
MvT, Kamerstukken II 1993/94, 23 638, nr. 3, p. 5-6.
MvT, Kamerstukken II 1993/94, 23 638, nr. 3, p. 4-5.
MvT, Kamerstukken II 1993/94, 23 638, nr. 3, p. 5.
Van een ‘zekere’ levering van een bouwterrein is eveneens sprake indien ter zake van het geleverde onbebouwde terrein een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is verleend als bedoeld in art. 2.1 lid 1, onderdeel a Wabo (hierna: bouwvergunning)1 met het oog op de bebouwing. Uit de woorden ‘is verleend’ en de parlementaire geschiedenis blijkt dat niet vereist is dat de omgevingsvergunning ten tijde van de levering onherroepelijk is.2 In tegenstelling tot de drie bouwterreincriteria die in de paragrafen 6.5.3.3.3.1 tot en met 6.5.3.3.3.3 zijn behandeld, is dit geen materieel maar een formeel bouwbestemmingscriterium. Dit criterium is door de wetgever oorspronkelijk ingevoerd om onzekerheid en discussie weg te nemen over de vraag of voldaan is aan één van de drie materiële bouwbestemmingscriteria.3 De keuze om aan te sluiten bij de bouwvergunning als formeel bouwbestemmingscriterium hield verband met het feit dat als er gebouwd wordt vooruitlopend op de definitieve formele besluitvorming in de praktijk meestal gewacht wordt totdat deze vergunning is verleend.4 Het moment waarop de bouwvergunning wordt verleend, ligt derhalve dicht bij het moment waarop een begin gemaakt wordt met bouwrijp maken van het terrein (zie paragrafen 6.5.3.3.3.1 tot en met 6.5.3.3.3.3).5
6.5.3.3.3.4.1 Bouwvergunning: vergunning voor het bouwen van een bouwwerk6.5.3.3.3.4.2 Projectuitvoeringsbesluit Chw: bouwvergunning?