Einde inhoudsopgave
Milieuaansprakelijkheid van leidinggevenden 2021/II.2.2
II.2.2 Wet op economische delicten
mr. T.R. Bleeker LLM, datum 01-11-2021
- Datum
01-11-2021
- Auteur
mr. T.R. Bleeker LLM
- JCDI
JCDI:ADS460324:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Art. 173a bevat een doleuse- en 173b Sr een culpoze variant van dit verbod. Lid 2 van de artikelen bevat een nog hoger strafmaximum, bij het gekwalificeerde gevolg dat het feit iemands dood ten gevolge heeft. Een overtredingsvariant van dit delict is neergelegd in artikel 429 lid 4 Sr. Een ander voorbeeld is art. 161uater en 161quinquies Sr over de omgang met radioactieve stoffen.
Zie voor een gedetailleerdere bespreking van het begrip economisch strafrecht en de plaats van milieustrafrecht daarbinnen Doorenbos 2015a, p. 1-7.
Daarnaast worden in artikel 2 lid 4 en 5 nog enkele specifieke economische delicten aangemerkt als overtreding of als misdrijf. Bij deze ‘restcategorie’ wordt dus niet aangeknoopt bij het schuldverband van de dader noch bij de wetstekst van het onderliggende voorschrift.
Zie par. III.5.5.
Om een voorbeeld te geven: onder de Omgevingswet wordt getracht om zoveel mogelijk te regelen met algemene regels; een vergunning zal in minder gevallen verplicht zijn. Op die manier kan een bepaalde handeling zonder vergunning nu nog wel een strafbaar feit opleveren, maar na de inwerkingtreding van de Omgevingswet niet meer.
Kamerstukken II 2017/18, 34986, nr. 3, p. 415, toelichting op artikel 2.47.
Het is niet alleen mogelijk om de bestuurder van een vennootschap te ontzetten uit zijn beroep, maar ook de uitoefening van andere vormen van leidinggeven aan een rechtspersoon of daaraan gelijkgestelde entiteit kan worden verboden door de rechter. Zie: HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1378.
HR 6 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ4672, JOW 2007/12. Zie voor een voorbeeld uit het milieustrafrecht Rb. Oost-Brabant 28 mei 2018, ECLI:NL:RBOBR:2018:2550, M&R 2018/90, m.nt. Velthuis en Rb. Oost-Brabant 1 mei 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:2492, M&R 2019/77, m.nt. Velthuis.
Het ‘commune’ strafrecht (dus het strafrecht dat is neergelegd in het Wetboek van Strafrecht (Hierna: Sr)), bevat nauwelijks milieudelicten. Een zeldzaam voorbeeld betreft het verbod in artikelen 173a en 173b Sr om wederrechtelijk een stof te brengen op of in de bodem, in de lucht of in het oppervlaktewater, waardoor gevaar voor de openbare gezondheid of levensgevaar te duchten is.1 Het milieustrafrecht is dan ook vrijwel uitsluitend ‘economisch strafrecht’, dus het strafrecht dat valt binnen de werkingssfeer van de WED. Het overgrote deel van de milieudelicten vindt zijn oorsprong in het bestuursrecht; en de WED vormt voor deze milieuvoorschriften de poort naar het strafrecht.2 Hierna ga ik in op materiële aspecten van de WED, en vervolgens sta ik kort stil bij toezicht, opsporing en bestraffing in het kader van de WED.
Artikel 1a WED bevat een omvangrijke lijst met milieuvoorschriften. In de opsomming van artikel 1a WED staan verwijzingen naar bepalingen van onder meer de Meststoffenwet, de Waterwet, de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet natuurbescherming, de Wet milieubeheer en nog veel andere bestuursrechtelijke regelingen. Artikel 1a WED bepaalt ook dat de overtreding van de voorschriften die worden genoemd in het artikel een ‘economisch delict’ oplevert.3
De verwijzingen in artikel 1a WED zijn verdeeld over verschillende categorieën, waarbij de ernstigste economische delicten zijn geschaard onder 1°. Of een economisch delict uit deze lijst kan worden aangemerkt als misdrijf of als overtreding, hangt ervan af of de dader het voorschrift opzettelijk heeft overtreden. Artikel 2 lid 1 WED bepaalt dat het opzettelijk begaan van een economisch delict als bedoeld in artikel 1a WED onder 1° en 2° kan worden aangemerkt als een misdrijf. Op deze manier wordt in het economische strafrecht voor milieumisdrijven in feite een subjectief bestanddeel (namelijk dolus) toegevoegd aan het onderliggende bestuursrechtelijke voorschrift. Als het economische delict uit artikel 1a onder 1° en 2° WED niet opzettelijk is begaan, is het een overtreding. Voor de economische delicten onder 3° wordt de kwalificatie als misdrijf of overtreding niet bepaald door het opzet van de dader, maar door het voorschrift zelf: dit kan worden opgemaakt uit de wetstekst van het voorschrift zelf, zo volgt uit artikel 2 lid 3 WED.4
De categorisering van artikel 1a WED heeft ook gevolgen voor de strafmaat. De bestuursrechtelijke voorschriften die zijn aangewezen als economische delicten hebben zelf namelijk geen strafbepalingen. Die leemte vervult de WED met een eigen sanctiestelsel. Om de maximumstraf te bepalen, is ingevolge artikel 6 lid 1 WED onder meer van belang of er sprake is van een misdrijf of overtreding, tot welke categorie het voorschrift behoorde (voor economische delicten uit artikel 1a WED onder 1° gelden als gezegd hogere straffen dan voor die onder 2°) en of de verdachte van het plegen van een misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.
De milieuvoorschriften waarnaar artikel 1a WED nu verwijst worden in 2022 samengevoegd in één centrale wet: de Omgevingswet.5 De inwerkingtreding van de Omgevingswet zal geen veranderingen bewerkstelligen ten aanzien van de strafrechtelijke handhavingsmogelijkheden van bestuursrechtelijke milieunormen. De werking van de WED als ‘doorgeefluik’ van bestuursrechtelijke milieuvoorschriften naar het strafrecht zal hetzelfde blijven. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet kunnen wel de bestuursrechtelijke normen zelf veranderen.6 Voor zover onder de Omgevingswet identieke of vergelijkbare regels terugkeren, worden deze echter zoveel mogelijk beleidsneutraal teruggeplaatst binnen de indeling van artikel 1a WED.7
Een economisch delict kan een serieuze straf opleveren: als er sprake is van een opzettelijke overtreding (dus een misdrijf ) van een voorschrift uit artikel 1a onder 1° WED (de categorie met de ernstigste milieudelicten) door een natuurlijk persoon, dan kan een gevangenisstraf tot wel zes jaar en een geldboete tot de vijfde categorie worden opgelegd.8 Een economisch delict begaan door een rechtspersoon kan zelfs een geldboete tot de zesde categorie of 10% van de jaaromzet opleveren.9 Ook zijn er andere ingrijpende bijkomende straffen mogelijk, zoals ontzetting van het recht een bepaald beroep uit te oefenen of stillegging van het bedrijf (art. 7 WED).10 Ook kunnen er reparatoire maatregelen worden opgelegd, zoals herstel van hetgeen wederrechtelijk is nagelaten (art. 8 WED) of ontneming dan wel onttrekking aan het verkeer (artikel 36f Sv). Interessant in het kader van dit proefschrift, is dat het ook mogelijk is ontnemingsmaatregelen te treffen bij natuurlijke personen, als 1) die natuurlijke persoon volledige dan wel in belangrijke mate zeggenschap heeft over die rechtspersoon; 2) hij over het vermogen van die rechtspersoon kon beschikken; en 3) het verkregen voordeel heeft kunnen strekken tot voordeel van de natuurlijke persoon, welk voordeel de natuurlijke persoon kan worden toegerekend.11
Ter bevordering van een doeltreffende opsporing, vervolging en berechting van handelingen die schadelijk zijn voor economische doelstellingen en milieubelangen, heeft de wetgever opsporingsambtenaren voor de opsporing van WED-delicten uitgerust met ruime bevoegdheden. Voor de opsporing van WED-delicten kunnen opsporingsambtenaren – ongeacht hun rang – dwangmiddelen gebruiken die normaal bij commune delicten krachtens het Wetboek van Strafvordering (Sv) alleen in uitzonderlijke omstandigheden kunnen worden toegepast. Zo is het op grond van artikel 18 WED mogelijk om voorwerpen in beslag te nemen en uitlevering te vorderen, zonder de aanvullende eisen die bij commune delicten krachtens artikel 94 Sv gelden. De opsporingsambtenaar kan ook te allen tijde inzage vorderen van alle bescheiden waarvan naar zijn redelijk oordeel inzage voor de vervulling van zijn taak nodig is (art. 19 WED). Verder heeft een opsporingsambtenaar toegang tot elke plaats (art. 20 WED), vervoersmiddelen (art. 23 WED) en is bevoegd zaken te onderzoeken, en monsters te nemen (art. 21 WED). Eenieder is verplicht medewerking te verlenen aan de opsporingsambtenaar, en het opzettelijk niet voldoen aan een vordering op basis van de WED, is een economisch delict (art. 26 WED).