Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/19.2.3.3:19.2.3.3 Aanbevelingen voor het Openbaar Ministerie
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/19.2.3.3
19.2.3.3 Aanbevelingen voor het Openbaar Ministerie
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS455793:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In die gevallen waarin de officier van justitie in EU-verband de plaats van de minister heeft ingenomen, gelden de aanbevelingen die in de vorige paragraaf aan het adres van de minister zijn gedaan, ook voor de officier van justitie: beperk het principiële beroep op het vertrouwensbeginsel tot die gevallen waarin toetsing de kern van het rechtshulpinstrument zou aantasten, en onderbouw dat ook zo, en stel in de andere gevallen de rechter in staat tot toetsing over te gaan, eventueel met een verzoek of uitnodiging om uit te gaan van vertrouwen en de toetsing te beperken.
Daarnaast is het aanbevelenswaardig dat de leden van het Openbaar Ministerie in EU-verband structureel en persoonlijk contacten leggen met collega’s in andere lidstaten. Langs die weg kan het Openbaar Ministerie de kennis van en het zicht op de strafvorderlijke systemen van de andere lidstaten vergroten. In die gevallen waarin de rechter op zichzelf tot toetsing kan overgaan, is de betrokken vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie daardoor beter in staat om te onderbouwen of en, zo ja, waarom de rechter op de autoriteiten in de andere staat kan vertrouwen. Uiteraard moet het daarbij niet gaan om de spreekwoordelijke ‘blauwe ogen’ van de collega-autoriteit, maar om concreet aan te duiden kenmerken van de strafvorderlijke procedure in de andere lidstaat die opgeworpen problemen ondervangen. Zo zou bij zorgen over de detentiesituatie in de andere staat kunnen worden gewezen op de waarborgen die in de andere lidstaat gelden en de rechtsmiddelen die een gedetineerde ten dienste staan, eventueel in combinatie met concrete voorbeelden waarin dergelijke waarborgen en rechtsmiddelen daadwerkelijk effect hebben gehad. Dat alles is uiteraard veel eenvoudiger bij structurele en concrete contacten met de strafvorderlijke autoriteiten in de andere lidstaat.