Einde inhoudsopgave
Zaaksvervanging (O&R nr. 55) 2010/1.3
1.3 Verantwoording
Johanna Bernadine Spath, datum 01-04-2010
- Datum
01-04-2010
- Auteur
Johanna Bernadine Spath
- JCDI
JCDI:ADS624909:1
- Vakgebied(en)
Goederenrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Zie over de geslotenheid van het goederenrechtelijke systeem ook Struycken 2007, p. 801-802.
Vgl. Sagaert 2003, p. 6: 'Dat element 'waarde' staat centraal bij zaaksvervanging.' en p. 51: 'Zakelijke subrogatie waarborgt het evenwicht tussen het vermogen van de begunstigde van zaaksvervanging enerzijds en dat van de debiteur of diens samenlopende schuldeisers anderzijds door het zakenrechtelijke statuut van het oorspronkelijke onderpand te laten voortduren op haar tegenwaarde.' Zie ook p. 665 en 749.
Vgl. Hammerstein (1977, p. 22) die ten aanzien van economische eigendom opmerkt dat economische en juridische vervanging niet op één Tijn mogen worden gesteld.
Evenzo Hammerstein 1977, p. 55.
Zie voor een vergelijking op dit gebied: Hammerstein 1977, p. 48-55; Sagaert 2003, p. 64-78.
5.
De waarde van het onderzoek ligt in het verkrijgen van meer duidelijkheid over de plaats van zaaksvervanging als rechtsfiguur in het Nederlandse privaatrecht en daarmee zicht te krijgen op de toepassingsmogelijkheden binnen het goederenrecht. Uitgaand van de wenselijkheid van de met zaaksvervanging te bereiken verdeling van aanspraken over diverse gerechtigden tot een goed, draagt dit onderzoek naar zaaksvervanging op deze wijze bij aan de voortdurende ontwikkeling van een goederenrechtelijk systeem dat maatschappelijk als rechtvaardig wordt ervaren.
Dit onderzoek richt zich in de eerste plaats op de principiële mogelijk- en onmogelijkheden van toepassing van zaaksvervanging in het Nederlandse privaatrecht. Om de hiermee samenhangende vragen te kunnen beantwoorden, moet naar mijn mening uitdrukkelijk en voortdurend onderscheid worden gemaakt tussen het doel van zaaksvervanging enerzijds en de wijze waarop dit doel bereikt kan worden, de methode, anderzijds. Het doel wordt bepaald door de maatschappelijke wensen die de ratio van de betreffende toepassingen vormgeven. Bij het bepalen van de methode daarentegen staan vooral wetssystematische en juridisch-technische overwegingen centraal en de mogelijkheden die het goederenrecht biedt zonder dit in zijn wezen aan te tasten.1 Deze beide aspecten, het waarom en het hoe, bepalen samen uiteindelijk de toepassingsvoorwaarden en het toepassingsbereik van zaaksvervanging en zij vereisen om die reden een nader onderzoek.
Bij het onderzoek naar de methode van zaaksvervanging maak ik gebruik van interne rechtsvergelijking. Een vergelijking met andere rechtsfiguren waarin nieuwe rechten worden toegekend, zoals toeëigening, zaaksvorming en verkrijgende verjaring, is behulpzaam bij het vinden van een antwoord op de vraag onder welke omstandigheden en op welke wijze juridisch wordt omgegaan met veranderingen in de feitelijke of juridische situatie. Het onderzoek is begin januari 2010 afgerond. Naderhand verschenen literatuur en uitspraken zijn slechts incidenteel verwerkt.
In deze theoretische hoofdstukken wordt uitgegaan van goederen die steeds voldoende bepaald en individualiseerbaar zijn. Deze vereenvoudiging van het onderzoeksterrein vergroot de overzichtelijkheid en helpt voorkomen dat verschillende problemen door elkaar lopen. In de praktijk beïnvloeden problemen met bepaalbaarheid van goederen de werking van zaaksvervanging echter wel. Met name het grote belang van giraal geld en de juridische vormgeving hiervan vormen een bedreiging voor de in theorie mogelijke zaaksvervanging. Deze problemen verdienen daarom afzonderlijke aandacht.
6.
Door de focus op het systeem van het goederenrecht is er voor gekozen gevallen van zaaksvervanging buiten het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) in beginsel niet te behandelen. De toepassingen uit het BW daarentegen worden in dit onderzoek uitgebreid bestudeerd, veelal inclusief het nationale recht vóór 1992. Daarnaast is een blik over de grenzen geworpen naar de meest kenmerkende toepassingen van zaaksvervanging in buurlanden. Een dergelijke rechtsvergelijking met vergelijkbare rechtsstelsels is zinvol, omdat de rol van zaaksvervanging binnen het goederenrechtelijke systeem niet aan een nationaal stelsel is gebonden.
De rechtsvergelijking concentreert zich op het Duitse recht en het Belgische recht, dat als een exponent van het Franse rechtssysteem kan worden beschouwd. Onderzoek naar Duits recht is wenselijk, omdat het Duitse recht een met het Nederlandse recht vergelijkbaar goederenrechtelijk systeem kent en omdat aan zaaksvervanging in de juridische literatuur in ruimere mate dan in Nederland aandacht is besteed. Het Franse recht wordt niet opnieuw aan een onderzoek onderworpen. Langemeijer en Hammerstein hebben een uitgebreide studie van het Franse recht in hun dissertatie opgenomen en ook Sagaert heeft dit recentelijk in zijn Belgische onderzoek geïntegreerd. De overweging van Hammerstein dat zijn keuze voor een tweede studie voor betwisting vatbaar is, geldt voor een vierde ronde des te sterker. In plaats hiervan is daarom onderzoek gedaan naar het Belgische recht. Dit recht staat in de Franse traditie en zaaksvervanging heeft daar onlangs nog uitgebreid aandacht gekregen in het proefschrift over zakelijke subrogatie van Sagaert. Hoewel ik van deze dissertatie ook buiten de directe rechtsvergelijking veelvuldig gebruik heb gemaakt, wijkt de benadering in zijn onderzoek wezenlijk af van het onderhavige. Sagaert legt de nadruk op het behoud van waarde van betrokken goederen en het bestaan van een daaraan gekoppelde bestemming van die waarde.2 Deze focus op de door hem gesignaleerde 'dematerialisering van het goederenrecht' reflecteert wellicht een economische realiteit, maar is daarmee naar mijn overtuiging niet automatisch bepalend voor de juridische invalshoek.3 Daarbij gaat Sagaert primair uit van een vergelijking met de persoonlijke subrogatie4 en maakt hij onderscheid tussen zaaksvervanging binnen restitutieverhoudingen en bij zekerheidsrechten, terwijl ik aanknoop bij ongerechtvaardigde verrijking als basisgedachte achter zaaksvervanging en een geïntegreerde benadering hanteer. Door deze essentiële verschillen in de gekozen invalshoek wordt in dit proefschrift veelal slechts indirect naar de uitkomsten van het onderzoek van Sagaert verwezen en wordt niet uitgebreid ingegaan op de daaraan ten grondslag liggende argumenten.
Het Engelse recht, dat zowel door Hammerstein als Sagaert is besproken, komt niet aan bod, omdat zaaksvervanging in de common lawtraditie een heel eigen invulling kent. De grote verschillen in de benadering van goederenrechtelijke vraagstukken ten opzichte van het continentale recht maken het op dit terrein minder zinvol deze stelsels met elkaar te vergelijken, nu de integratie van zaaksvervanging in het Nederlandse goederenrechtelijke systeem een van de centrale vragen van dit onderzoek is.5
In dit proefschrift is in verschillende mate gebruik gemaakt van (externe) rechtsvergelijking. De drie meest bekende toepassingen van zaaksvervanging, namelijk zekerheidsrechten, vruchtgebruik en gemeenschap, worden in het tweede hoofdstuk uitgebreid onderzocht naar Duits en Belgisch recht. De werking van overige bepalingen van zaaksvervanging is vaak afgeleid uit de genoemde toepassingen, waardoor de literatuur hierover beperkt en weinig specifiek is. De zeer beperkte toegevoegde waarde die van een verder rechtsvergelijkend onderzoek bij deze bepalingen is te verwachten, is de reden om het onderzoek op de genoemde wijze te beperken. In andere hoofdstukken worden rechtsvergelijkende argumenten uitsluitend naar voren gebracht waar dit zinvol is en is van een uitgebreide studie afgezien.