Einde inhoudsopgave
Aansprakelijkheid van de bedrijfsmatige gebruiker (R&P nr. CA18) 2018/2.4
2.4 Argumenten voor kwalitatieve aansprakelijkheid
mr. A. Kolder, datum 16-03-2018
- Datum
16-03-2018
- Auteur
mr. A. Kolder
- JCDI
JCDI:ADS301642:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht / Aansprakelijkheid
Voetnoten
Voetnoten
Vranken 1988, p. 253; Tjittes 1995, p. 274.
Tjittes 1995, p. 274; Spier en Sterk 1995, p. 32; Vanden Borre 2001, p. 175 e.v.
Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 8 en 24; Tjittes 1995, p. 274; Jansen 2007, p. 166.
Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 8-9.
Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 9 en Kamerstukken II 1990/91, 21202, 6, p. 21.
Vgl. ook art. 6:174 lid 3 betreffende ondergrondse werken, dat een aan de laatste bedrijfsmatige gebruiker ‘klevende’ aansprakelijkheid kent.
Parl. gesch. Boek 6, p. 745-746; Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 8-10.
Vgl. Hartlief 1997, p. 11 e.v.
In plaats van velen Lubach 2005, p. 134-135, met verwijzingen.
Klaassen 1991, p. 48; Hartlief 1997, p. 11 e.v.; Hoekzema 2000, p. 43.
Schut 1963, p. 27-44; Klaassen 1991, p. 7-24; Lubach 2005, p. 134-137; Oldenhuis 2014, p. 111-112; Verheij 2015, p. 13-15; Bauw 2015, p. 4; Kolder en Oldenhuis 2017, p. 46-47.
Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/30. Zo ook A-G Spier in zijn conclusie sub. 5.10 voor HR 17 december 2010, NJ 2012/155, m.nt. Hartlief (Wilnis).
Vgl. Kamerstukken II 1990/91, 21202, 6, p. 2-3 en Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 6 en, met diverse verwijzingen, Klaassen 1991, p. 9-24; Sieburgh 2000, p. 181 e.v.; Lubach 2005, p. 133-159; Van Dam 2013, nr. 1001.
Bijv. Kamerstukken II 1988/89, 21202, 3, p. 7.
Vgl. ook Lubach 2005, p. 152-154.
Klaassen 1991, p. 23; Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-IV 2015/27.
De in art. 6:173, 174, 175 en 179 bedoelde zaken, stoffen en dieren worden ondanks hun bijzondere potentieel om personen of zaken schade toe te brengen in de maatschappij aanvaard. Wanneer de aan deze ‘gevaarsobjecten’ verbonden verhoogde gevaren zich verwezenlijken, mogen de ‘toevallige’ slachtoffers daarvan volgens de wetgever niet met hun schade blijven zitten. De schade behoort voor rekening te komen van degene die het betreffende ‘verhoogde gevaar’ om hem moverende redenen heeft opgewekt en zich in beginsel gemakkelijk tegen de gevolgen van aansprakelijkheid kan verzekeren.1 In een samenleving die door alle technologische en sociaal-economische ontwikkelingen niet alleen gevaarlijker maar ook onoverzichtelijker was geworden, heeft de wetgever voor wat betreft de verschillende aansprakelijkheden/aansprakelijkheidsrisico’s een ‘overzichtelijk’ geheel willen bieden, in de latere literatuur ook wel centralisering van aansprakelijkheid genoemd.2 Onder dit algemene begrip worden wel drie rechtsinstrumenten begrepen ter nadere aanduiding van de verschillende varianten waarvan de wetgever zich in dit verband heeft bediend: kanalisering van aansprakelijkheid, segmentering van aansprakelijkheid en klevende aansprakelijkheid.3 Kanalisering van aansprakelijkheid houdt in dat ter zake van één gebeurtenis niet op meerdere personen tegelijk een kwalitatieve aansprakelijkheid rust, maar dat deze steeds naar één duidelijk aanwijsbare persoon wordt geleid.4 Hiervan vormt art. 6:181 bij uitstek een voorbeeld:5 een concentratie van aansprakelijkheid bij ‘het bedrijf’ voor de risico’s die zijn verbonden aan de zaken die in de uitoefening daarvan worden gebruikt. Onder segmentering van aansprakelijkheid wordt begrepen dat de aansprakelijkheid steeds wordt gelegd op degene ‘in wiens handen’ het gevaarsobject zich bevond op het moment van de schadeveroorzaking.6 Dit mechanisme is aan de orde bij de aansprakelijkheid voor gevaarlijke stoffen, die telkens ‘meeverhuist’ naar een volgende schakel in de keten van betrokken bedrijven. Klevende aansprakelijkheid houdt in dat de aansprakelijkheid steeds blijft berusten bij één persoon, ook als het gevaarsobject zich ten tijde van de schadeveroorzaking in handen van een ander bevindt.7 Deze gedachte ligt ten grondslag aan de regeling van de productenaansprakelijkheid (afd. 6.3.3 BW).8 Achter de voornoemde drie rechtsinstrumenten gaat een gemeenschappelijke gedachte schuil: het voorkomen van ingewikkelde samenloopproblemen die het aansprakelijkheidsrecht voor zowel benadeelden als potentieel aansprakelijken onoverzichtelijk maken. Benadeelden moeten vlot weten op wie zij hun pijlen kunnen richten om schadevergoeding te krijgen, terwijl (potentieel) aansprakelijken zo goed mogelijk moeten kunnen inschatten wie voor welk risico aansprakelijk is met het oog op het kunnen (door)berekenen van de kosten daarvan en/of het afsluiten van een verzekering.9
Bij dit alles moet voor ogen worden gehouden dat de hoofdregel in het civiele aansprakelijkheidsrecht inhoudt dat eenieder zijn eigen schade draagt, tenzij een ‘goede grond’ bestaat voor afwenteling daarvan op een ander.10 Het aansprakelijkheidsrecht biedt dergelijke ‘gronden’ en probeert, gelet op de maatschappelijke omstandigheden, steeds tot een zo passend mogelijke verdeling van nadeel te komen.11 Een algemene gedachte van slachtofferbescherming, zoals die achter afd. 6.3.2 BW schuilgaat, geeft nog geen antwoord op de vraag waarom het gerechtvaardigd is voor een concreet schadegebeuren extra bescherming te creëren, in die zin dat iemand ook gehouden is schade te vergoeden zonder zelf ‘foutief’ te hebben gehandeld. Het enkele streven om ‘overzichtelijkheid’ te creëren en benadeelden in bepaalde gevallen een betere (bewijs)positie te verschaffen dan zij sec aan art. 6:162 kunnen ontlenen, is op zichzelf onvoldoende reden om de schade dan maar op een ander, die geen ‘fout’ heeft gemaakt, af te wentelen. Schade van de een kan niet ‘zomaar’ op een willekeurige ander worden afgewenteld.12 In de loop der tijd zijn vele pogingen ondernomen om dé grondslag c.q. rechtvaardiging voor het verschijnsel ‘kwalitatieve aansprakelijkheid’ te geven. Aangenomen wordt echter wel dat één gemeenschappelijke rechtsgrond voor de gehele afd. 6.3.2 BW niet valt te geven.13 Daarvoor lopen de gevallen van kwalitatieve aansprakelijkheid te zeer uiteen, terwijl de verschillende aansprakelijkheden bovendien ook niet aan de hand van slechts één argument of gedachte zijn te verklaren maar steeds berusten op een samenstel van overwegingen. Zou tóch een gemeenschappelijke grondslag gegeven moeten worden voor de diverse kwalitatieve aansprakelijkheden, dan wordt daartoe wel gewezen op de billijkheid.14 De redenering is dat in alle gevallen waarin afd. 6.3.2 BW, bij gebreke van een eigen ‘fout’, iemand (toch) verplicht de door een ander geleden schade te vergoeden, de wetgever het ‘onbillijk’ heeft geacht die schade voor rekening van de benadeelde te laten. Hierbij valt direct de kanttekening te plaatsen dat ook de billijkheid als zodanig niet als ‘echte’ gemeenschappelijke grondslag kan fungeren. Ook daarmee is namelijk nog altijd geen antwoord gegeven op de vraag waarom het in een concreet geval dan ‘billijk’ is dat de betreffende kwalitatieve aansprakelijkheid op de daartoe aangewezene rust zonder dat deze zelf ‘foutief’ heeft gehandeld. Bij de billijkheid als overkoepelende grondslag is dus nog altijd méér nodig om de doorslag te geven. Hartkamp en Sieburgh spreken zodoende wel van de ‘gemotiveerde billijkheid’ als gemeenschappelijke grondslag van kwalitatieve aansprakelijkheid.15 De argumenten waarmee deze ‘billijkheid’ per geval van kwalitatieve aansprakelijkheid wordt gemotiveerd, zullen dan uiteen kunnen lopen.
De belangrijkste argumenten die in de totstandkomingsgeschiedenis van afd. 6.3.2 BW en ook in de doctrine ter rechtvaardiging van kwalitatieve aansprakelijkheid zijn aangevoerd, betreffen de volgende.16 De gevaartheorie. Degene die ervoor kiest zijn ‘actieradius’ te vergroten door kinderen in de maatschappij te brengen (art. 6:169), bepaalde personen handelingen voor zich te laten verrichten (art. 6:170 en 171) of gebruik te maken van zaken (art. 6:173, 174, 175, 179, 181) en zodoende voor derden eenzijdig de kans op schade door verwezenlijking van de daarmee in het leven geroepen gevaren verhoogt, dient ook voor die risico’s in te staan tegenover hen die daarvan het slachtoffer worden. De profijttheorie. Wanneer de schadeveroorzakende persoon of zaak strekt tot iemands genoegen (kinderen, dieren) of economisch voordeel (hulppersonen, hulpzaken, dieren, gevaarlijke stoffen), dient diegene ook in te staan voor de aan dergelijke objecten verbonden gevaren. De eenheidsgedachte. Wanneer een bepaalde ‘eenheid’ aan het maatschappelijk verkeer deelneemt (art. 6:169; eenheid van het gezin, art. 6:170, 171 en 181; eenheid van ‘onderneming’) moet de benadeelde zich, in geval van schade door personen of zaken die tot die eenheid behoren, ook steeds tot (het hoofd van) die eenheid kunnen wenden voor schadevergoeding. Opspoorbaarheid. Een theorie die samenhangt met de eenheidsgedachte: vanuit het perspectief van de benadeelde dient (in ieder geval) steeds één gemakkelijk op te sporen persoon – ‘een centraal adres’ – te bestaan die tot schadevergoeding valt aan te spreken. De benadeelde wordt zo een (ondoenlijke) zoektocht naar en bewijslevering van de identiteit van de eventueel ex art. 6:162 ‘schuldige’ bespaard. Tegelijkertijd brengt één centraal adres voor aansprakelijkheid mee dat zijdens de (potentieel) aansprakelijken dubbele verzekeringslasten kunnen worden voorkomen. Zorg en zeggenschap. Degene met zeggenschap over (activiteiten met) bepaalde personen en zaken heeft daarover de controle, en wordt in staat geacht de daaraan verbonden risico’s te minimaliseren en schade bij derden door deze personen en zaken zoveel mogelijk te voorkomen. Een dergelijke zeggenschap over de risico’s brengt ook verantwoordelijkheid met zich indien deze zich (toch) verwezenlijken.17Preventieve werking. De gedachte is dat degene die met een kwalitatieve aansprakelijk is belast, gestimuleerd wordt zich in te spannen om de verwezenlijking van de risico’s waarvoor deze aansprakelijkheid bestaat zoveel mogelijk te voorkomen.18 De solventiegedachte. Om te voorkomen dat benadeelden via de enkele route van art. 6:162 een niet of nauwelijks draagkrachtige debiteur treffen (kinderen, werknemers), beoogt kwalitatieve aansprakelijkheid een persoon met een deep pocket te bieden (ouders, werkgever). Verzekering en schadespreiding. Kwalitatieve aansprakelijkheid brengt mee dat zónder eigen foutief handelen toch schadeplichtigheid kan bestaan. Wordt een dergelijke ‘bijzondere’ vorm van aansprakelijkheid aanvaard, dan wordt deze gelegd bij degene die zich daarvoor op relatief eenvoudige wijze kan verzekeren (bezitter, bedrijfsmatige gebruiker).19 Via het systeem der verzekeringen wordt de schade gespreid en draagt uiteindelijk niet een individu maar een collectiviteit de schade.20 Degene die bedrijfsmatig handelt (art. 6:170, 171, 175 en 181) heeft temeer een ‘risk spreading capacity’, aangezien deze de kosten wegens het betalen van schadevergoeding of verzekeringspremies aan zijn afnemers kan doorberekenen via de prijzen van zijn producten of diensten.
Inzicht in de argumenten die voor de diverse aansprakelijkheden van afd. 6.3.2 BW zijn aangevoerd, zijn niet enkel van theoretisch maar ook van praktisch belang, aangezien deze de toepassing daarvan in het concrete geval (kunnen) beïnvloeden.21 In het vervolg van dit onderzoek zullen wanneer daartoe aanleiding bestaat de gebezigde argumenten voor (de invoering van) art. 6:181 nader aan de orde worden gesteld.