Omzetting als rechtsvormwijziging
Einde inhoudsopgave
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/4.5.2:4.5.2 Rechtsvormwijziging en juridische fusie/splitsing
Omzetting als rechtsvormwijziging (IVOR nr. 70) 2010/4.5.2
4.5.2 Rechtsvormwijziging en juridische fusie/splitsing
Documentgegevens:
Mr. B. Snijder-Kuipers, datum 20-01-2010
- Datum
20-01-2010
- Auteur
Mr. B. Snijder-Kuipers
- JCDI
JCDI:ADS500302:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Kamerstukken II 1987/88, 17 725, nr. 18, p. 1.
Kamerstukken II 1995/96, 24 702, nr. 2, p. 14.
C.W. de Monchy en L. Timmerman, De nieuwe algemene bepalingen van boek 2 BW (preadvies van de Vereeniging 'Handelsrecht% Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1991.
Door de heer Wolffensperger van D66 in Kamerstukken II 17 725, 14de vergadering vaste commissie voor Justitie, p. 7-8.
Kamerstukken II 1995/96, 24 702, nr. 2, p. 14 en nr. 3, p. 25.
Tenzij op grond van artikel 2:334m lid 5 BW.
Een tiental gevallen.
Artikel 2:317 lid 5 en 2:334m lid 5 BW
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 2:18 lid 6 BW bepaalt dat het vermogen van de stichting en de vruchten daarvan na rechtsvormwijziging slechts met toestemming van de rechter anders mag worden besteed dan voor rechtsvormwijziging was voorgeschreven. Nadien werd toegevoegd dat de statuten van een verkrijgende rechtspersoon bij een na rechtsvormwijziging inwerkingtredende juridische fusie1 en/of splitsing2 deze bepaling eveneens diende te bevatten indien en voor zover een rechtspersoon vermogen verkreeg dat van een stichting voor rechtsvormwijziging afkomstig was. Bij het ontbreken van een dergelijke bepaling zou deze vermogensbeschermende bepaling gemakkelijk omzeild kunnen worden. Een dergelijke bepaling moet ook in de statuten van een rechtspersoon opgenomen worden na een volgende rechts-vormwijziging van een vroegere stichting.3
Moet de laatste volzin van artikel 2:18 lid 6 BW opgevat worden als een doorwerking van de vermogensklem na rechtsvormwijziging indien zich nadien een juridische fusie of splitsing voordoet? Of komt aan deze zin zelfstandige betekenis toe en is deze daarom ook van toepassing bij een juridische fusie of splitsing waar geen rechtsvormwijziging aan vooraf is gegaan?
Aanknopingspunten voor de eerste opvatting vind ik in de wettekst en de parlementaire geschiedenis. De wettekst geeft aan dat hetzelfde (handhaving vermogensklem) geldt voor de statuten van een rechtspersoon voor zover dit vermogen en de vruchten daarvan krachtens fusie of splitsing zijn overgegaan. Het woord `dit' verwijst terug naar de vorige volzin, dat gaat over vermogen van een stichting na rechtsvormwijziging. Het stichtingsvermogen wordt beschermd indien en voor zover een stichting van rechtsvorm wordt gewijzigd en deze rechtspersoon nadien betrokken is bij een juridische fusie of splitsing.
Tijdens de parlementaire behandeling werd opgemerkt4 dat de vermogensklem-bepaling makkelijk kon worden ontweken door na rechtsvormwijziging krachtens juridische fusie te verdwijnen. In de regeling voor juridische fusie was geen overeenkomstige statutaire verplichting opgenomen. De minister antwoordde daarop dat het niet in de lijn lag van artikel 2:18 lid 6 BW om het voorschrift door juridische fusie te laten onderbreken. Als voorbeeld werd genoemd een stichting die een juridische fusie aan wil gaan met een vereniging en eerst de rechtsvorm wijzigt van stichting in vereniging. De werking van artikel 2:18 lid 6 BW is gewaarborgd in de statuten van de vereniging maar niet nadien wanneer de juridische fusie wordt bewerkstelligd en de van rechtsvorm gewijzigde entiteit verdwijnt. Die leemte is opgevuld met de laatste volzin van artikel 2:18 lid 6 BW. Ter gelegenheid van de splitsingswetgeving is deze vraag opnieuw aan de orde gekomen en eveneens in het kader van rechtsvormwijziging en splitsing nadien behandeld.5
Gevolg van het feit dat de tweede opvatting niet in de wet is vastgelegd, is dat er een leemte in de bescherming van het stichtingsvermogen is. Een voorbeeld:
Het gehele vermogen van een stichting wordt afgesplitst in een naamloze vennootschap. De stichting wordt enig aandeelhouder. De statuten van de stichting bepalen dat alle artikelen gewijzigd kunnen worden. Het vermogen van de stichting gaat onder algemene titel over op de naamloze vennootschap, die wellicht een andere doelstelling heeft dan de stichting.
Aangezien alle statutaire bepalingen van de stichting gewijzigd kunnen worden, is in beginsel geen rechterlijke goedkeuring vereist op grond van splitsingswetgeving.6 Bij een juridische fusie tussen stichtingen dan wel splitsing van een stichting waarbij stichtingsvermogen verdwijnt in een andere stichting of kapitaalvennootschap (onder de voorwaarde dat de stichting enig aandeelhouder wordt) is geen verdere bescherming dan die van artikel 2:317 lid 5 en 2:334m lid 5 BW. Dit betekent dat er alleen bescherming (in de zin van rechterlijke goedkeuring) is voor de stichting waarvan niet alle statutaire bepalingen gewijzigd kunnen worden. De rechtbank wijst het verzoek af, indien er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat de juridische fusie of splitsing in strijd is met het belang van de stichting. Het hangt van de rechter af of dit opgevat wordt als invulling van de vermogensklem. Een dergelijke vraag wordt niet vaak aan een rechter voorgelegd. Op basis van mijn praktijkervaring7 denk ik dat de rechter deze beschermende bepaling niet opvat als een, mogelijke, doorbreking van de vermogensklem. Er zijn nimmer specifieke vragen gesteld in die richting noch de mondelinge en schriftelijke behandeling wezen op een dergelijke invalshoek.
De huidige wettelijke regeling heeft tot gevolg dat stichtingsvermogen niet beschermd is voor zover de statuten de mogelijkheid openen alle bepalingen daarvan te wijzigen en een dergelijke stichting krachtens juridische fusie verdwijnt dan wel krachtens juridische splitsing vermogen in een andere rechtspersoon overhevelt. Beperkte bescherming wordt geboden door de juridische fusie en splitsingswetgeving indien niet alle statutaire bepalingen van een stichting gewijzigd kunnen worden. De wet schrijft voor die gevallen echter geen vermogensklem voor.8