Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/3.8.4
3.8.4 Legaliteitsbeginsel
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS396089:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie De Moor-van Vugt 2012, p.15 e.v.; Hofmann, Rowe & Tlirk 2011, p.148 e.v.; Verhoeven 2011, p. 155-163; Eberhard 2008.
Zie bijvoorbeeld HvJEU 29 juni 2010, C-550/09 (E en F), Jur. 2010, p. 1-6213, r.o. 44; HvJEG 23 april 1986, 294/83 (Les Verts), Jur. 1986, p. 1339, r.o. 23. Dat de EU wordt beheerst door de rule of law is ook neergelegd in artikel 2 VEU. Zie omtrent de 'Rule of Law' als constitutioneel beginsel van de EU Pech 2010.
Zie Verhoeven 2011, p. 155.
Vergelijk Voermans 2011, p. 32. Zie voor een overzicht van de betekenis van het Nederlandse legaliteitsbeginsel Voermans 2011.
Zie Verhoeven 2011, p. 126; Verhoeven & Widdershoven 2011, p. 58; Besselink, Pennings & Prechal 2011, p. 6-7; Voermans 2011, p. 10 e.v.; Burkens e.a. 2001, p. 49; Verheij 1989. Ik merk op in de literatuur geen eenstemmigheid bestaat omtrent de verschillende functies van het legaliteitsbeginsel. Het gaat dit onderzoek te buiten om hierop verder in te gaan.
Verhoeven 2011, p. 126; Verhoeven & Widdershoven 2011, p. 58; Verhoeven 2010A, p. 21; Verheij 1989, p. 190. Zie ook Voermans 2011, p. 12.
Verhoeven 2011, p. 126; Verhoeven & Widdershoven 2011, p. 58. Verheij spreekt van het formeel-positieve aspect van het beginsel van de wetmatigheid van bestuur. Zie Verheij 1989, p. 192
Zie omtrent dit aspect van het legaliteitsbeginsel Van Omroeren 2002; Van Ommeren 1996; Verheij 1989, p. 193.
Besselink, Pennings & Prechal 2011, p. 7.
Verhoeven 2011, p. 126; Verhoeven & Widdershoven 2011, p. 58. Verheij spreekt van het materieel-positieve aspect van het beginsel van de wetmatigheid van bestuur. Zie Verheij 1989, p. 192.
Verhoeven & Widdershoven 2011, p. 58.
Zie omtrent het beginsel van wetmatigheid van bestuur Voermans 2011, p. 41; Verheij 1989, p. 192 e.v.
Zie Voermans 2011, p. 41; Verhoeven 2011, p. 126; Verhoeven & Widdershoven 2011, p. 58; Verhoeven 2010A, p. 21. Verheij spreekt van het formeel-positieve aspect van het beginsel van de wetmatigheid van bestuur. Zie Verheij 1989, p. 192.
Voermans 2011, p. 56. In Duitsland wordt dit de 'Vorrang des Gesetzes' genoemd. Het vereiste van een wettelijke bevoegdheidsgrondslag wordt in het Duits uitgedrukt als 'Vorbehalt des Gesetzes'. Zie hieromtrent Verhoeven 2011, p. 136 e.v.; Verhoeven 2010A, p. 22; Rieckhoff 2007.
Vergelijk Voermans 2011, p. 56.
Verheij 1989, p. 192.
Verhoeven 2011, p. 155.
Verhoeven 2011, p. 155; Schwarze 2006, p. 253.
Verhoeven 2011, p. 155.
Zie hieromtrent Hofmann, Rowe & Trk 2011, p. 153; Craig & De Bárca 2011, p. 108 e.v.; Verhoeven 2011, p. 159 e.v.; Verhoeven 2010A, p. 22; Von Danwitz 2008, p. 346; WI5lker 2007; Bieber & Salomé 1996.
Zie voor een uitgebreide analyse Verhoeven 2011, p. 159 e.v. Zie ook Craig & De Bárca 2011, p. 109.
Craig & De Bárca 2011, p. 109-112.
Zie hieromtrent A. van den Brink 2009 en A. van den Brink 2008, p. 167.
Zie artikel 289 VWEU.
Zie artikel 290 VWEU.
Zie artikel 290, eerste lid, VWEU. In eerdere jurisprudentie van het Hof van Justitie was reeds uitgemaakt dat de Europese Commissie weliswaar in verordeningen van de Raad (en het Europees Parlement) kon worden opgedragen om uitvoeringsregels vast te stellen, maar dat de essentiële onderdelen moesten zijn neergelegd in de basisverordening. Zie HvJEG 17 december 1970, 25/70 (Koster en Berodt), Jur. 1970, p. 1161, r.o. 6. Zie hieromtrent ook Verhoeven 2011, p. 160; Ruffert 2006, p. 1127. Een bepaling in de basisverordening die in algemene termen was geformuleerd bood een voldoende grondslag voor delegatie; het was niet noodzakelijk dat de in de basisverordening essentiële onderdelen van de gedelegeerde bevoegdheid werden gepreciseerd. HvJEG 27 oktober 1992, C-240/90 (Duitsland/Commissie), Jur. 1992, p. 1-5383, r.o. 40. Zie ook Verhoeven 2011, p. 160; Von Danwitz 2008, p. 348. Gelet op deze materieel bestaande normenhiërarchie is in het kader van de sancties die zijn neergelegd in Commissieverordeningen op het terrein van de landbouwsubsidies de vraag opgeworpen of deze sancties niet in een basisverordening zouden moeten zijn neergelegd. Zie hieromtrent hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.5.8.
Voor zover de bevoegdheid tot het vaststellen van uitvoeringshandelingen door de Europese Commissie of de Raad is neergelegd in een gedelegeerde handeling, dient de uitvoeringshandeling vanzelfsprekend ook daarmee in overeenstemming te zijn.
Voermans 2011, p. 32; Verhoeven 2011, p. 155-156.
Zie artikel 4, eerste lid, VEU.
Zie Verhoeven 2011, p. 156. Zij wijst op het arrest HvJEG 1 oktober 2009, 370/07 (Commissie/ Raad), Jur. 2009, p. 1-8917, r.o. 39 waarin het Hof overweegt dat ingevolge het rechtszekerheidsvereiste elke handeling die rechtsgevolgen beoogt teweeg te brengen, haar verbindendheid dient te ontlenen aan een bepaling van het gemeenschapsrecht, die expliciet als rechtsgrondslag moet worden vermeld en die de rechtsvorm bepaalt waarin de handeling moet worden verricht. Zie ook HvJEG 16 juni 1993, C-325/91 (Frankrijk/Commissie), Jur. 1993, p. 1-3283, r.o. 26.
Zie Verhoeven 2011, p. 156-158.
Zie Von Danwitz 2008, p. 347; Schwarze 2006, p. 238.
Hofman, Rowe & Ttirk 2011, p. 151; Verhoeven 2011, p. 161 en Verhoeven 2010A, p. 22-23; Van Danwitz 2008, p. 347.
HvJEG 21 september 1989, gevoegde zaken 46/87 en 227/88 (Hoechst), Jur. 1989, p. 2859, r.o. 19.
Zie Verhoeven & Widdershoven 2011, p. 57, voetnoot 5.
Zie artikel 49, eerste lid, van het Handvest: Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde van het handelen of nalaten. Zie ook HvJEU 31 maart 2011, C-546/09 (Aurubus Balgaria), n.n.g., r.o. 42 waarin het Hof van Justitie het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen noemt. Dit beginsel vereist dat de wet de strafbare feiten en de straffen erop duidelijk vaststelt. Aan deze voorwaarde is voldaan wanneer de justitiabele uit de bewoordingen van de relevante bepaling, zo nodig met behulp van de door de rechterlijke instanties daaraan gegeven interpretatie, kan opmaken voor welk handelen of nalaten hij strafrechtelijk aansprakelijk kan worden gesteld. Zie hieromtrent ook De Moor-van Vugt 2012, p. 15 e.v.
Zie hieromtrent ook HvJEU 31 maart 2011, C-546/09 (Aurubis Balgaria), n.n.g., waarin het Hof in r.o. 43 oordeelt dat de algemene beginselen van het Unierecht, met name het legaliteitsbeginsel ter zake van strafbare feiten en straffen, zich ertegen verzetten dat de nationale autoriteiten op een douaneovertreding een sanctie stellen waarin de nationale wetgeving niet uitdrukkelijk voorziet.
Het vereiste van een basisbesluit kwam reeds aan de orde in hoofdstuk 2, paragraaf 2.2.4. Zie voorts HvJEG 12 mei 1998, C-106/96 (Verenigd Koninlcrijk/Commissie), Jur. 1998, p.1-2729, AB 1998, 225, m.nt. F.H. van der Burg.
Zie HvJEU 28 oktober 2010, C-367/09 (SGS Belgium NV), n.n.g; HvJEG 25 september 1984 (Ktinecke) Jur. 1984, p. 3291, r.o. 11. Zie uitgebreid hoofdstuk 4, paragraaf 4.2.102 en hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.5.8.
HvJEG 24 april 2008, C-143/07 (AOB Reuter), Jur. 2008, p. 1-3171, r.o. 34.
In de literatuur wordt algemeen aanvaard dat er een Europees legaliteitsbeginsel bestaat.1 Ook het Hof van Justitie heeft meerdere keren bepaald dat de EU wordt beheerst door de 'rule of law'.2 Verhoeven beschrijft dat evenwel grote verschillen bestaan tussen het legaliteitsbeginsel in de lidstaten en het Europese legaliteitsbeginsel.3 Het Europese legaliteitsbeginsel kan dan ook niet zomaar worden vereenzelvigd met de Nederlandse betekenis van het legaliteitsbeginsel.4 Om de verschillen tussen het Nederlandse en Europese legaliteitsbeginsel te kunnen duiden, wordt in deze paragraaf eerst kort ingegaan op de Nederlandse betekenis van het legaliteitsbeginsel.
In de Nederlandse juridische literatuur worden verschillende functies van het legaliteitsbeginsel onderscheiden.5 Voor dit onderzoek is een viertal functies relevant. Allereerst noem ik de functie van legitimiteit. Het legaliteitsbeginsel garandeert dat burgers alleen door de overheid kunnen worden gebonden op basis van regels die met medewerking van een gekozen vertegenwoordiging van het volk tot stand zijn gekomen.6
Ten tweede kan worden gewezen op de attributiefunctie, hetwelk inhoudt dat autoriteiten alleen de bevoegdheden mogen uitoefenen die aan hen bij wet zijn toegekend.7 In beginsel dient elk overheidsoptreden te berusten op een wettelijke grondslag.8 In dat kader wijst de wet de autoriteiten aan en besluit welke bevoegdheden aan hen worden toegekend9
Ten derde vervult het legaliteitsbeginsel een regulerende functie. Dit betekent dat het legaliteitsbeginsel de bevoegdheidsuitoefening door het bestuur reguleert.10 Het stelt grenzen aan deze bevoegdheidsuitoefening, voornamelijk in de bepaling waarin de bevoegdheid is neergelegd. Ook het specialiteitsbeginsel, de fundamentele rechten en algemene rechtsbeginselen limiteren de uitoefening van bevoegdheden door autoriteiten.11 De tweede en derde functie tezamen zijn te vatten onder het beginsel van 'wetmatigheid van bestuur'.12 Dit beginsel houdt in dat het bestuur in beginsel alleen kan binden op basis van bevoegdheden die berusten op een wettelijke grondslag en dat het bestuur zich ook houdt aan de wet.13 Daarbij komt aan de wetten in formele zin, afkomstig van de democratische gelegitimeerde wetgever, het primaat toe.14 De door het bestuur vastgestelde regels mogen derhalve niet in strijd zijn met de wetten in formele zin.15
De laatste functie van het legaliteitsbeginsel die hier wordt besproken is het bevorderen van rechtsgelijkheid en rechtszekerheid.16 Wanneer het handelen van het bestuur is gebaseerd op een wettelijke grondslag en daardoor wordt genormeerd, wordt de rechtszekerheid van burgers vergroot en wordt gewaarborgd dat burgers gelijk worden behandeld.
De voormelde functies van het Nederlandse legaliteitsbeginsel zijn niet allemaal één op één op Eu-niveau te ontwaren. Omdat bijvoorbeeld het Europees Parlement ook na de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon geen volledige wetgevende bevoegdheid heeft, is de legitimerende functie van het legaliteitsbeginsel Unierechtelijk betrekkelijk. Omdat daarom op Eu-niveau geen wetten in formele zin kunnen worden aangenomen, is het voorts lastig om te spreken van het primaat van de wet en kan Unierechtelijk geen sprake zijn van een wettelijke grondslag in een formele wet.17 Verder gaat het in de Unierechtelijke context wat het legaliteitsbeginsel betreft niet eerst en vooral om de bescherming van burgers, maar om de bevoegdheidsverdeling tussen de EU en de lidstaten.18 Het Europese legaliteitsbeginsel is dan ook aangepast aan de Europese condities.19
Het voorgaande betekent niet dat op Eu-niveau geen aspecten van het legaliteitsbeginsel zijn terug te vinden. Allereerst is ook in Eu-verband sprake van een normenhiërarchie.20 Bovenaan staan het VEU, het VWEU en het Handvest van de Grondrechten.21 Direct daarna volgen de algemene Europese rechtsbeginselen.22 Het secundaire Europese recht — verordeningen, richtlijnen en besluiten — moeten met deze verdragen, het Handvest en de algemene rechtsbeginselen in overeenstemming zijn. Ook binnen het secundaire Europese recht bestaat een hiërarchie van normen. Deze normenhiërarchie volgt sinds de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon uit artikel 288 VWEU en verder.23 Voorop staan de verordeningen, richtlijnen en besluiten die worden aangenomen door de Raad in samenwerking met het Europees Parlement. Het gaat hier om de zogenoemde wetgevingshandelingen.24 Daaraan ondergeschikt zijn de daarop berustende gedelegeerde verordeningen, richtlijnen en besluiten van de Europese Commissie.25 Het gaat hierbij om niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking. De bevoegdheid van de Europese Commissie om dergelijke handelingen vast te stellen moet zijn gelegen in een wetgevingshandeling en kan alleen zien op de aanvulling of wijziging van bepaalde niet-essentiële onderdelen van de wetgevingshandeling.26 Het is ook mogelijk dat de Europese Commissie of de Raad op grond van artikel 291 VWEU uitvoeringshandelingen vaststelt; ook hierbij kan het gaan om een verordening, richtlijn of besluit. Ook deze uitvoeringshandelingen dienen in overeenstemming te zijn met zowel primair Eu-recht als de wetgevingshandelingen.27
Het legaliteitsbeginsel komt voorts tot uitdrukking in het attributiebeginsel dat is neergelegd in artikel 5, eerste lid, VEU. Dit beginsel houdt in dat de EUinstellingen alleen regels kunnen maken en op kunnen treden op grond van bevoegdheden die de lidstaten uitdrukkelijk aan de EU hebben toegekend.28 Bevoegdheden die in de Verdragen niet aan de Unie zijn toegedeeld, behoren toe aan de lidstaten.29 Uit dit beginsel kan het vereiste van een wettelijke grondslag worden afgeleid.30 Verhoeven laat zien dat dit vereiste zoals blijkt uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie tot doel heeft de balans te verzekeren tussen de instellingen van de EU en niet ziet op de bescherming van individuen.31 Aangenomen wordt echter dat het vereiste ook inhoudt dat de EU alleen tegenover een lidstaat of particulier kan optreden indien daarvoor een duidelijke bevoegdheidsgrondslag bestaat.32 Dit wordt in de literatuur afgeleid uit het arrest Hoechst33' In dit arrest overweegt het Hof van Justitie dat 'in de rechtstelsels van alle lidstaten ingrepen in de privésfeer van ieder persoon, of het nu gaat om een natuurlijke of rechtspersoon, een wettelijke grondslag moeten hebben en gerechtvaardigd moeten zijn om redenen bij de wet voorzien en dat die rechtstelsels derhalve, zij het volgens verschillende modaliteiten, bescherming bieden tegen ingrepen die willekeurig of onredelijk zouden zijn´34 Zulk een bescherming moet dan ook worden aangemerkt als een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht, aldus het Hof van Justitie. Hoewel het in deze zaak ging om de uitoefening van de controlebevoegdheden van de Commissie waarbij de grondrechten werden beperkt, wordt ervan uitgegaan dat het legaliteitsbeginsel in deze betekenis een ruimere strekking heeft.35
In het Handvest van de Grondrechten is de eis van de wettelijke grondslag alleen wat betreft het strafrecht gecodificeerd.36 Op grond van artikel 51 van het Handvest geldt deze eis ook voor de lidstaten, namelijk wanneer zij het Eu-recht uitvoeren.37
Ook buiten het strafrecht komt de eis van de wettelijke grondslag betekenis toe. In het kader van de Europese subsidies kan allereerst worden gewezen op artikel 49 van het Financieel Reglement waarin is bepaald dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de besteding van Eu-gelden door de Europese Commissie is gebaseerd op een basisbesluit.38 Uit de Verordening nr. 2988/95 en de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt verder dat de eis van de wettelijke grondslag ook geldt in het kader van het opleggen van administratieve sancties.39 Wil op grond van een bepaling in een Europese subsidieverordening een administratieve sanctie kunnen worden opgelegd, dan dient deze wettelijke grondslag op grond van het rechtszekerheidsbeginsel voldoende duidelijk te zijn.40