Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken
Einde inhoudsopgave
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/9.2:9.2 Voorschriften waarbij het belang van de justitiabele niet in het geding is
Het vertrouwensbeginsel bij de interstatelijke samenwerking in strafzaken (SteR nr. 31) 2016/9.2
9.2 Voorschriften waarbij het belang van de justitiabele niet in het geding is
Documentgegevens:
Thomas Kraniotis, datum 01-08-2016
- Datum
01-08-2016
- Auteur
Thomas Kraniotis
- JCDI
JCDI:ADS456973:1
- Vakgebied(en)
Bestuursprocesrecht / Algemeen
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Indien een voorschrift niet of niet primair strekt ter bescherming van de betrokken justitiabele, is daarmee niet gezegd dat vertrouwen en het vertrouwensbeginsel geen rol spelen. De rol die het vertrouwen dan speelt, valt evenwel buiten het perspectief van dit onderzoek. Dat perspectief betreft immers de werking van het vertrouwensbeginsel in verhouding met de rechtsbescherming van de betrokken justitiabele en de verruiming of vermindering daarvan. Indien het bijvoorbeeld gaat om een voorschrift dat strekt tot geheimhouding rond een bepaald opsporingsonderzoek dat door opsporingsambtenaren van verschillende landen gezamenlijk wordt verricht, dan speelt het vertrouwen zeer zeker een rol. Al naar gelang er een sterker onderling vertrouwen is dat de geheimhoudingsplicht zal worden nageleefd, is de samenwerking ruimhartiger. Heerst het vermoeden dat de betrokken opsporingsambtenaren uit de andere staat het met die geheimhouding minder nauw nemen, met gevaren voor dit concrete onderzoek, maar ook voor de opsporingsdiensten en -ambtenaren in het algemeen, dan is de samenwerking vanzelfsprekend veel minder innig en daardoor minder effectief. Voor de betrokken justitiabele heeft dat in directe zin echter geen betekenis. In een simpel voorbeeld als hier gegeven, is het ontbreken van vertrouwen wellicht indirect relevant voor de justitiabele omdat een door hem gepleegd strafbaar feit niet (volledig) opgehelderd wordt. Gaat het om samenwerking met een ontlastende werking, wat ook goed denkbaar is, met name waar het gaat om onrechtmatigheden in de opsporing, dan is dat anders. De terughoudendheid om in dergelijke gevallen samen te werken kan echter ook voortvloeien uit een (rechtens niet te respecteren) wens om mogelijk onrechtmatigheden te bedekken, in plaats van uit een (rechtens te respecteren) wens tot geheimhouding, bijvoorbeeld betreffende de identiteit van betrokkenen bij de opsporing. Hoe dan ook is in een dergelijk geval het belang van de justitiabele wel in het geding.