Einde inhoudsopgave
Omzetting van rechtspersonen (FM nr. 129) 2008/2.4
2.4 Relatie met de leer van de materiële kenmerken
Dr. J.L. van de Streek, datum 01-09-2008
- Datum
01-09-2008
- Auteur
Dr. J.L. van de Streek
- JCDI
JCDI:ADS500128:1
- Vakgebied(en)
Onbekend (V)
Vennootschapsbelasting (V)
Vennootschapsbelasting / Omzettingsregeling
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie voor deze definitie L. Timmerman, ‘Zijn de materiële kenmerken van de rechtspersoonsvormen verdwenen?’, WPNR 1991/6030, p. 877.
Kamerstukken II 1984/85, 17 725, nr. 7, zoals opgenomen in: C.J. van Zeben, Parlementaire geschiedenis van het nieuw burgerlijk wetboek (Invoering boeken 3, 5 en 6), Deventer: Kluwer 1991, p. 198.
E.M. Meijers, Ontwerp voor een Nieuw Burgerlijk Wetboek (Toelichting eerste gedeelte (boek 1-4)), Den Haag: SDU 1954, p. 211.
In deze zin L. Timmerman, ‘Zijn de materiële kenmerken van de rechtspersoonsvormen verdwenen?’, WPNR 1991/6030, p. 879.
Kamerstukken II 1984/85, 17 725, nr. 7, zoals opgenomen in: CJ. van Zeben, Parlementaire geschiedenis van het nieuw burgerlijk wetboek (Invoering boeken 3, 5 en 6), Deventer: Kluwer, 1991, p. 198.
De gedachte achter het discretionaire karakter van deze rechterlijke bevoegdheid is dat er alleen een sanctie moet zijn op een ernstige en voortdurende overtreding. Zie JJ.M. Maeijer, ‘Omzetting van rechtspersonen’, WPNR 1983/5649, p. 247 e.v.
Vooruitlopend op paragraaf 2.5, behandel ik in deze paragraaf een belangrijk motief voor de omzetting van een rechtspersoon dat voortvloeit uit het aan Boek 2 BW ten grondslag liggende leerstuk van de materiële kenmerken van een rechtspersoon. De materiële kenmerken worden veelal gedefinieerd als de in de wettelijke omschrijving van een bepaalde soort rechtspersoon voorkomende vereisten voor zijn organisatie, doelstelling en werkterrein.1 De leer houdt in dat een rechtspersoon aan de wettelijke omschrijving van zijn soort moet voldoen op straffe van (verplichte) ontbinding door de rechtbank op de voet van art. 2:21 lid 1 onderdeel c BW. Uit de parlementaire geschiedenis van de Invoeringswet Boeken 3, 5 en 6 NBW blijkt dat het zowel kan gaan om een discrepantie tussen de wettelijke vereisten van de rechtsvorm en de statutaire regels als het feitelijk functioneren.2 De ontbinding wordt uitgesproken op verzoek van een belanghebbende of op vordering van het openbaar ministerie (art. 2:21 lid 4 BW).
De grondlegger van het huidige BW, te weten E.M. Meijers (hierna: Meijers) – merkte in de toelichting op het ‘Ontwerp van een Nieuw Burgerlijk Wetboek’ over het belang van het systeem van de materiële kenmerken het volgende op:3
‘Waar echter tegen gewaakt dient te worden, is, dat de verschillende typen van rechtspersonen zich enkel door formele kenmerken zouden onderscheiden, zodat alle vormen door elkaar voor een zelfde organisatie met eenzelfde doel konden worden gebruikt. Helaas is het thans zo gesteld, dat een organisatie vrijelijk de vorm van een rechtspersoon kan kiezen, die haar oprichters het meest aanstaat. (...) Een wetgever, die zijn dwingende bepalingen wenst te zien geëerbiedigd, moet materiële kenmerken voor de verschillende soorten rechtspersonen opstellen, zodat iedere vorm beantwoordt aan een bijzondere door de wet erkende behoefte.’
Het door Meijers toegekende belang aan de materiële kenmerken wordt gerelativeerd door de omzettingsregeling van art. 2:18 BW.4 Indien een rechtspersoon niet meer voldoet aan de wettelijke omschrijving van zijn rechtsvorm, kan hij zich op de voet van art. 2:18 BW omzetten in een wel passende rechtsvorm. Daarmee wordt de ontbinding door de rechtbank op de voet van art. 21 lid 1 onderdeel c BW voorkomen. Hoewel de rechtbank verplicht is tot ontbinding over te gaan indien een rechtspersoon niet voldoet aan zijn wettelijke omschrijving van zijn soort, kan de rechtbank de rechtspersoon in staat stellen zich binnen een bepaalde termijn aan te passen, bijvoorbeeld door zich om te zetten in een rechtspersoon van een soort waaronder hij wél valt. Alsdan blijft de ontbinding achterwege (art. 2:21 lid 2 BW).
Overigens komt omzetting minder acuut als oplossing in beeld indien een rechtspersoon ‘slechts’ een verbod overtreedt, dat niet tevens een materieel kenmerk is. Een voorbeeld is het voor een vereniging op de voet van art. 2:26 lid 3 BW geldende winstverdelingsverbod.5 Anders dan bij het niet voldoen aan de wettelijke omschrijving van de rechtspersoonsvorm, is de rechter niet verplicht de rechtspersoon te ontbinden bij de overtreding van een verbod. Op grond van art. 2:21 lid 3 BW heeft rechtbank in een dergelijk geval een discretionaire ontbindingsbevoegdheid.6