Einde inhoudsopgave
Sturingsinstrumenten in de WW: 1987-2020 (MSR nr. 77) 2021/3.2
3.2 SER-advies en de referte-eis bij de invoering van de WW 1987
Datum 01-01-2021
- Datum
01-01-2021
- Auteur
Kluwer
- JCDI
JCDI:ADS258915:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen / Algemeen
Sociale zekerheid werkloosheid (V)
Voetnoten
Voetnoten
Dit ter uitvoering van de Derde Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 19 december 1978 inzake gelijke behandeling van mannen en vrouwen op het gebied van de sociale zekerheid (79/7 EEG), Pb. EG nr. L6/24 van 10 januari 1979.
De Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV) was een uitkering na afloop van de WW 1949 en had bijvoorbeeld nog een kostwinnerseis voor gehuwde vrouwen; die vrouwen werden van de uitkering uitgesloten. Het kabinet streefde daarom naar geïndividualiseerde uitkeringsrechten. Zo werd ook de vervolguitkering ingevoerd om de inkomenstoets van de partner in de bijstand uit te stellen (zie hoofdstuk 2, par. 2.5.2 en 2.6). Voor meer informatie zie: Socialezekerheidsstelsel, Gelijke behandeling mannen en vrouwen (www.socialezekerheidsstelsel.nl/id/vk9rnxkyzawb/gelijke_behandeling_mannen_en_vrouwen).
SER-advies Een nieuw stelsel van sociale zekerheid in hoofdlijnen 1984.
De WW 1986 kwam tot stand bij de Wet van 6 november 1986, Stb. 1986, 566 en is op 1 januari 1987 in werking getreden. Deze wet verving de meerdere werkloosheidsregelingen die toen bestonden, namelijk de WW 1949, laatst gewijzigd bij Stb. 1967, 421, en de Wet Werkloosheidsvoorziening (WWV), Stb. 1964, 485). De WWV was een uitkering na afloop van de WW 1949 die gold vanaf 1 januari 1965 (Stb. 1964, 485). Met de stelselherziening en de invoering van de WW 1986 is de WWV afgeschaft voor nieuwe gevallen. Per 1 januari 2012 is de WWV ingetrokken (Stb. 1997, 789).
SER-advies Een nieuw stelsel van sociale zekerheid in hoofdlijnen 1984, p.151.
SER-advies Een nieuw stelsel van sociale zekerheid in hoofdlijnen 1984, p. 94-95.
SER-advies Een nieuw stelsel van sociale zekerheid in hoofdlijnen 1984, p. 88-89, 153 (standpunt 4 Kroonleden).
SER-advies Een nieuw stelsel van sociale zekerheid in hoofdlijnen 1984, p. 88-89.
SER-advies Een nieuw stelsel van sociale zekerheid in hoofdlijnen 1984, p. 96.
Zie hoofdstuk 2, paragraaf 2.2.1. Kamerstukken II 1985/86,19261, nr. 3, p. 19. (MvT WW 1987).
Kamerstukken II 1984/85, 18849, nrs. 1-3, p. 8-9. Bij de invoering van de wet voor gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen en de wijziging van de duur van de WWV-uitkering in vergaderjaar 1984-1985 heeft het kabinet deze beredenering gemaakt.
Kamerstukken II 1985/86, 19261, nr. 3, p. 108-109.
In 1987 werd het stelsel van de sociale zekerheid herzien mede vanwege het streven van het kabinet om gelijke uitkeringsrechten aan vrouwen en mannen te geven op basis van Europese regelgeving.1 Het oude stelsel had geen gelijke uitkeringsrechten, omdat het was gebaseerd op de visie dat de man de kostwinner was en de vrouw het huishouden deed en niet werkte.2 In het SER-advies3 van 29 juni 1984, voorafgaand aan de invoering van de WW in 1987, gaf de SER advies over de vormgeving van de WW in de stelselherziening. Het streven naar gelijke uitkeringsrechten voor mannen en vrouwen werd ook daarin meegenomen.
De SER-leden dachten uiteenlopend over de uitkeringsduur van de loongerelateerde werkloosheidsuitkering en de daarvoor geldende referte-eisen. Er waren vijf standpunten binnen de SER, namelijk van de vakbonden FNV, CNV, MHP en de kroonleden en werkgevers. Een aantal onderdelen van de standpunten die relevant zijn voor de invulling van de referte-eis zal ik hierna toelichten. Daarbij komt de duur van de WW ook aan bod, omdat de meningen over de referte-eis en de duur vaak aan elkaar gekoppeld werden door de leden.
De SER-leden waren in ieder geval unaniem van mening dat de verschillende loongerelateerde werkloosheidsregelingen vervangen moesten worden door één werkloosheidsregeling4 waarin de man en de vrouw een gelijke behandeling kregen en op basis waarvan geïndividualiseerde uitkeringen konden worden toegekend. In drie (FNV/werknemersleden, MHP, kroonleden) van de vijf hoofdstandpunten werd uitgegaan van een onbeperkte uitkeringsduur. Dit kwam voort uit de wens van een aantal leden dat voorkomen moest worden dat langdurig werklozen aangewezen zouden zijn op bijstandsverlening. Alleen in uitzonderingssituaties zou een beroep op bijstand moeten worden gedaan.5
De kroonleden waren van oordeel dat het op korte termijn streven naar bezuinigingen niet het uitgangspunt van de herziening van het sociale stelsel mocht zijn. Het stelsel moest op zichzelf eerst rechtvaardig zijn en voldoen aan de doelstelling van de sociale verzekering, namelijk het bieden van inkomensgarantie voor werklozen. De kroonleden gingen uit van die verzekeringsgedachte en de rechtvaardigheidseis op grond waarvan een loongerelateerde uitkering diende te worden toegekend voor de duur van de werkloosheid. Het afhankelijk stellen van de duur van de uitkering aan de leeftijd of het arbeidsverleden achtte men in strijd met het streven naar vereenvoudiging van het stelsel en de verzekeringsgedachte achter de WW. De kroonleden vonden wel dat in ruil voor een onbepaalde maximum uitkeringsduur er zwaardere referte-eisen mochten worden gesteld. Naast de toen (1984) geldende referte-eis van 65 gewerkte dagen in de 130 dagen voorafgaand aan het intreden van de werkloosheid (op grond van de WW 1949), vond men dat een verzekeringsverleden van ten minste vijf jaar mocht worden geëist.6
Een ander deel van de kroonleden wilde een basisuitkering van 70 procent van het dagloon invoeren met de toen geldende referte-eis van 130 dagen.7 Maar om in aanmerking te komen voor een hoger uitkeringspercentage diende een verzekerde werknemer een arbeidsverleden te hebben gehad van ten minste vijf jaren, waarbij het uitkeringspercentage naar leeftijd zou worden gedifferentieerd in die zin dat het uitkeringspercentage per tien leeftijdsjaren met 2,5 procent van het dagloon toeneemt.8 Dit deel van de kroonleden was dus niet voor een onbeperkte duur, omdat de financiële inspanning om een onbeperkte duur te verzekeren ten koste zou gaan van de evenzeer noodzakelijke offers voor het scheppen en herverdelen van werk. Het zou tevens leiden tot een verscherping van de sociaal onwenselijke deling van de maatschappij in werkenden en onvrijwillig werklozen.9 Deze overwegingen zijn door het kabinet overgenomen in de MvT bij de WW in 1987 om te verklaren waarom de WW 1987 niet een onbeperkte uitkeringsduur heeft.10
De voorgestane entree-eis van vijf jaar werken betekende dat wie na bijna vijf jaar werken werkloos werd, direct aangewezen was op de bijstand met de daarbij behorende inkomens- en vermogenstoets. Naar het oordeel van het kabinet was het maatschappelijk niet aanvaardbaar dat die werklozen zo snel op de bijstand zouden zijn aangewezen. Er werd daarom een andere systematiek door het kabinet aangenomen, die inhield dat in die gevallen waarin een arbeidsverleden van een zekere duur niet was gehaald (ongeacht de leeftijd van betrokkene), er recht zou bestaan op een loondervingsuitkering van zes maanden. Dit zou voor oudere werklozen nadelig uitwerken als dat arbeidsverleden van een zekere duur (de wekeneis) niet werd gehaald. In de visie van het kabinet waren dergelijke zwaardere eisen ook voor die oudere werklozen gerechtvaardigd, omdat voor oudere werklozen een relatief lang recht op een werkloosheidsuitkering was geïndiceerd. Dit uitgangspunt kwam er dus op neer dat het kabinet verwachtte dat oudere werklozen langdurig gebruik zouden gaan maken van hun uitkeringsrecht en daarom aan dat langdurig gebruik een zwaardere referte-eis mocht worden gekoppeld dan de toen geldende 130-dagen-eis.11 Die zwaardere referte-eis van de WW 1987 was dat in de 12 maanden onmiddellijk voorafgaand aan het intreden van de werkloosheid ten minste in 26 weken (187 dagen) arbeid in dienstbetrekking moest zijn verricht.12 De WW’er had bij het voldoen aan die wekeneis recht op een half jaar loongerelateerde WW-uitkering (bij volledige werkloosheid 70 procent van het dagloon per dag). De duur van deze werkloosheidsuitkering werd verlengd indien de werkloze ook nog voldeed aan de jareneis, namelijk in de vijf jaar voorafgaand de werkloosheid moest in minimaal 3 jaar 52 dagen of meer per jaar gewerkt zijn.13 De maximumduur van de verlenging varieerde van 3 maanden (bij een arbeidsverleden tussen de vijf en de tien jaar) tot 4,5 jaar (bij een arbeidsverleden van 40 jaar of meer). De hoogte van de verlengde loongerelateerde uitkering was gelijk aan die van de basisuitkering.14
3.2.1 De onderdelen in de vóór 1987 geldende referte-eisen die zijn aangepast