Einde inhoudsopgave
Kiesrecht, verkiezingen en verkiezingscampagnes (SteR nr. 63) 2024/3.5.3
3.5.3 Periodieke verkiezingen
mr. L.S.A. Trapman, datum 19-02-2024
- Datum
19-02-2024
- Auteur
mr. L.S.A. Trapman
- JCDI
JCDI:ADS947783:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Schabas 2015, p. 1020. In ECRM 11 september 1995, ECLI:CE:ECHR:1995:0911DEC002731195 (Timke/Germany) oordeelde de Commissie dat een interval van vijf jaar in de omstandigheden van die zaak niet bezwaarlijk was.
ECRM 11 september 1995, ECLI:CE:ECHR:1995:0911DEC002731195 (Timke/Germany). Zie ook: Vogiatzis 2013, p. 402-403.
ECRM 11 september 1995, ECLI:CE:ECHR:1995:0911DEC002731195 (Timke/Germany). Dit aspect komt opvallend genoeg niet tot uitdrukking in de Code.
In theorie is het ook mogelijk een nieuw kabinet te vormen zonder daarvoor eerst verkiezingen uit te schrijven. Deze constructie wordt echter zelden (en voor het laatst in 1966) toegepast.
Klachten over het tijdsbestek tussen twee opeenvolgende verkiezingen zijn zelden voorwerp van geschil in zaken voor het EHRM.1Artikel 3 Protocol 1 EVRM schrijft voor dat verkiezingen ‘met redelijke tussenpozen’ moeten worden gehouden. Verkiezingen dienen ertoe om de wil van het electoraat van invloed te laten zijn op de samenstelling van de volksvertegenwoordiging. Deze wil van het electoraat verandert voortdurend en moet dus op gezette tijden opnieuw worden ‘gemeten’.2 Periodieke verkiezingen zorgen er dus voor dat veranderingen in de publieke opinie zich vertalen naar een verandering in de samenstelling van de wetgevende macht. Op die manier kunnen nieuwe opvattingen, die draagvlak blijken te hebben in de samenleving, tot de volksvertegenwoordiging doordringen. Tegelijkertijd verdwijnen groeperingen uit het parlement die hun maatschappelijke basis verloren hebben. Zij nemen niet langer deel aan de parlementaire besluitvorming.
Gegeven het feit dat de volksvertegenwoordiging haar mandaat van de kiezers krijgt, geldt dat het tijdsbestek tussen twee opeenvolgende verkiezingen niet te groot mag zijn. Een parlement dat te lang zit, en waarin de wil van het electoraat daarom niet langer accuraat wordt weerspiegeld, boet in aan legitimiteit. Tegelijkertijd geldt dat met ‘redelijke tussenpozen’ ook wordt bedoeld dat verkiezingen elkaar niet te snel mogen opvolgen. Daarmee zou immers de stabiliteit en de continuïteit van het dagelijks bestuur in het geding komen. Ook staan elkaar snel opvolgende verkiezingen in de weg aan het creëren van beleid voor de langere termijn.3 Staten moeten dus het midden vinden tussen twee uitersten: het tijdsbestek tussen twee verkiezingen moet te lang noch te kort zijn.
Een periode van vier jaar, zoals wordt gehanteerd door Nederland (artikel 52 Gw), of vijf jaar is gangbaar in de lidstaten van de Raad van Europa en wordt door de Venice Commission dan ook als norm gehanteerd. De Grondwet regelt twee situaties waarin van deze vierjaarstermijn kan worden afgeweken. Ten eerste moet gewezen worden op artikel 64 Gw, dat stelt dat zowel de Tweede als Eerste Kamer bij koninklijk besluit kan worden ontbonden. Een reden voor ontbinding wordt in dat artikel niet vermeld. Oorspronkelijk bood het artikel het kabinet de mogelijkheid om, in geval van een conflict met een van de kamers, een beroep te doen op de kiezer, die vervolgens kon besluiten of het kabinet al dan niet kon aanblijven. Sinds 1922 geldt echter dat het kabinet aan de vooravond van de verkiezingen zijn ontslag aanbiedt, nu de verkiezingsuitslag onder het in 1917 ingevoerde stelsel van evenredige vertegenwoordiging geen maatstaf kan vormen voor het aanblijven of aftreden van het kabinet.4 Tussentijdse Kamerontbinding komt sindsdien nog steeds voor, maar dus steeds met het oog op het vormen van een nieuw kabinet.5 Ten tweede moet gewezen worden op artikel 30 Gw, dat de procedure regelt voor het benoemen van een troonopvolger. Van die procedure maakt ook ontbinding van beide kamers onderdeel uit. Daaraan ligt het uitgangspunt ten grondslag dat de kiezer invloed moet kunnen uitoefenen op het nemen van gewichtige beslissingen omtrent (het voortbestaan van) de monarchie.6 Tot op heden is die procedure niet toegepast.