Einde inhoudsopgave
De uitvoering van Europese subsidieregelingen in Nederland (R&P nr. SB6) 2012/6.8.5.1
6.8.5.1 Algemeen
Mr. J.E. van den Brink, datum 13-12-2012
- Datum
13-12-2012
- Auteur
Mr. J.E. van den Brink
- JCDI
JCDI:ADS397297:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Voetnoten
Voetnoten
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.5.3.
Zie paragraaf 6.3.4.3 en 6.3.4.4.
Zie bijvoorbeeld CBb 12 januari 2011, LJN BP1038, r.o. 5.4; CBb 17 september 2009, LJN BJ8629, r.o. 3.4; CBb 30 januari 2009, LJN BH2892, r.o. 5.10; CBb 12 juni 2008, LJN BD5223; CBb 14 november 2007, LJN BB8852; CBb 17 mei 2006, AB 2006,313, m.nt. A.P.W. Duijkersloot, r.o. 52; CBb 30 september 2005, LJN AU4652, r.o. 5.4; CBb 19 september 2001, LJN AD3771.
Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.5. Zie voor voorbeelden waarin het CBb deze Europese regels toepast CBb 25 april 2012, LJN BW5654; CBb 12 mei 2010, LJN BM5671; CBb 24 maart 2010, LJN BM2707; CBb 18 november 2009, LJN BK5149; CBb 18 februari 2009, LJN BH4554; CBb 16 september 2005, LJN AU3647; CBb 18 november 2009, LJN BK5149.
Zie CBb 8 juli 2009, LJN BJ6462; CBb 5 juli 2006, LJN AY6704; CBb 13 januari 2006, LJN AV0516; CBb 6 januari 2006, LJN AV0339; CBb 18 november 2005, LJN AU7341; CBb 18 november 2005, LJN AU7342; CBb 28 oktober 2005, LJN AU5507; CBb 26 oktober 2005, LJN AU5509; CBb 26 oktober 2005, LJN AU5516; CBb 26 oktober 2005, LJN AU5512; CBb 19 oktober 2005, LJN AU4925; CBb 29 juni 2005, LJN AT8912; CBb 24 juni 2005, LJN AT8929;
Zie CBb 8 juli 2009, LJN BJ6462; CBb 5 juli 2006, LJN AY6704; CBb 13 januari 2006, LJN AV0516; CBb 6 januari 2006, LJN AV0339; CBb 18 november 2005, LJN AU7341; CBb 18 november 2005, LJN AU7342; CBb 26 oktober 2005, LJN AU5509; CBb 26 oktober 2005, LJN AU5516; CBb 26 oktober 2005, LJN AU5512; CBb 19 oktober 2005, LJN AU4925; CBb 29 juni 2005, LJN AT8912; CBb 24 juni 2005, LJN AT8929.
Het gaat hier om uitzonderingen op de verplichting tot terugbetaling van onverschuldigd betaalde bedragen. Zie bijvoorbeeld artikel 52 van de Verordening nr. 800/1999; artikel 14 van de Verordening nr. 3887/92; artikel 49 van de Verordening nr. 2419/01.
Zie bijvoorbeeld Artikel 23, eerste lid, van de Commissieverordening nr. 1122/2009. Zie hoofdstuk 5, paragraaf 5.7.7.
Zie artikel 21 van de Commissieverordening nr. 1122/2009. Deze clausule was ook al in eerdere verordeningen neergelegd. Zie artikel 19 van de Commissieverordening nr. 796/2004 en artikel 12 van de Commissieverordening nr. 2419/2001 en artikel 11 van de Verordening nr. 3665/87. Zie ook hoofdstuk 5, paragraaf 5.3.5. In een uitspraak van 8 december 2009 (LIN BL4431) oordeelt het CBb dat sprake is van een dergelijk fout.
Zie bijvoorbeeld artikel 44, eerste lid, van de Commissieverordening nr. 2419/01.
Zie bijvoorbeeld CBb 23 april 2008, AB 2008, 233, m.nt. T. Barkhuysen (Socopa) waarin het CBb overweegt dat de fout van een medecontractant behoort tot de normale handelsrisico's en dus niet als een onvoorzienbare omstandigheid is aan te merken. Zie wat betreft het begrip overmacht CBb 19 september 2001, LJN AD3770 en CBb 13 februari 2004, LJN A04296.
Zie paragraaf 6.3.4.
In hoofdstuk 5 is aan de orde geweest dat de bepalingen inzake administratieve sancties en maatregelen die zijn neergelegd in de Europese landbouwsubsidie-verordeningen rechtstreeks door nationale uitvoeringsorganen kunnen worden toegepast en doorgaans zijn te beschouwen als een gemeenschappelijk stelsel.1 Omdat het om rechtstreeks toepasbare Europese sancties en maatregelen gaat, is omzetting van deze bepalingen in het nationale recht niet toegestaan. Toepassing van de sanctiebepalingen van de subsidietitel van de Awb is dan ook niet aan de orde. Wel mogen de Europese administratieve sancties en maatregelen worden uitgewerkt, voor zover de desbetreffende bepaling dat noodzakelijk maakt. Het enige dat in het nationale recht moet worden geregeld is de bevoegdheid om de Europese sancties en maatregelen op te leggen, zij het dat dit alleen nodig is voor zover de sancties en maatregelen worden opgelegd nadat de Europese subsidie is verstrekt.2
Uit de jurisprudentie van het CBb inzake ELGF-sancties en -maatregelen blijkt dat de bepalingen van de subsidietitel van de Awb niet relevant zijn. Het nationale uitvoeringsorgaan is verplicht om de Europese sancties en maatregelen toe te passen.3 Dit geldt ook wanneer vergelijkbare nationale sancties niet bestaan, zoals geldt voor de sancties die moeten worden opgelegd indien een aanvraag voor een Europese subsidie te laat wordt ingediend.4 Verder oordeelt het CBb dat de Europese verplichting tot terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen rechtstreeks voortvloeit uit het Europese recht en geheel daardoor wordt gereguleerd.5 In een aantal zaken overweegt het CBb daarbij expliciet dat nationale administratiefrechtelijke regelgeving, zoals artikel 4:49 van de Awb, gelet op de voorrang van het Europese recht, de omvang van een verplichting tot terugvordering niet kan beperken.6 De verplichting tot het opleggen van Europese sancties en maatregelen kan derhalve alleen worden beperkt door het Europese recht zelf. Gedacht moet worden aan gevallen waarin sprake is van een fout van de bevoegde autoriteiten zelf, van de lidstaten, of van een andere betrokken autoriteit en indien de begunstigde de fout redelijkerwijs niet kon ontdekken en hij zijnerzijds te goeder trouw heeft gehandeld en alle terzake geldende verplichtingen is nagekomen.7 Voorts wordt van het opleggen van Europese sancties afgezien indien sprake is van overmacht en/of uitzonderlijke omstandigheden,8 dan wel indien sprake is van een door de bevoegde autoriteit erkende klaarblijkelijke vergissing of kennelijke fout.9 Ook indien een eindontvanger van een Europese subsidie feitelijk juiste gegevens heeft verschaft of wanneer hij anderszins kan bewijzen dat hem geen schuld treft, wordt van het opleggen van uitsluitingen en kortingen afgezien.10 Deze begrippen legt het CBb, overeenkomstig de in hoofdstuk 5 besproken jurisprudentie van het Hof van Justitie, beperkt uit.11
In deze paragraaf wordt verder ingegaan op de uitvoering van het gemeenschappelijk stelsel van Europese administratieve sancties en maatregelen in Nederland. Besproken worden de relevante nationale jurisprudentie en de problemen die zich voordoen. Aangetekend zij dat eerder in dit hoofdstuk reeds is ingegaan op de problematiek die zich voordoet bij ontbrekende nationale bevoegdheden van Nederlandse bestuursorganen om de rechtstreeks toepasselijke Europese administratieve sancties en maatregelen op te leggen.12
In paragraaf 6.8.5.2 wordt ingegaan op het feit dat uit de Nederlandse subsidieregelgeving inzake ELFPO volgt dat — de rechtstreeks toepasselijke bepalingen uit de Europese verordeningen ten spijt — de sanctiebepalingen van de subsidietitel van de Awb van toepassing zijn. In paragraaf 6.8.5.3 wordt besproken in hoeverre de rechtstreeks toepasselijke Europese maatregelen en sancties mogen worden uitgewerkt in nationale beleidsregels van Nederlandse bestuursorganen. Paragraaf 6.8.5.4 ziet op de vraag in hoeverre artikel 6 EVRM door het CBb van toepassing wordt geacht bij het opleggen van Europese administratieve sancties. Ten slotte wordt in paragraaf 6.8.5.5 besproken in hoeverre blijkens de jurisprudentie van de Nederlandse bestuursrechter bij de uitoefening van de rechtstreeks toepasbare Europese sancties en maatregelen ruimte bestaat voor toepassing van de Nederlandse algemene beginselen van behoorlijk bestuur.