Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer
Einde inhoudsopgave
Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer (FM nr. 174) 2022/A.2.10:A.2.10 Hoge Raad 15 november 2013, Fins beleggingsfondsarrest
Fiscale Europeesrechtelijke aspecten van grensoverschrijdend pensioenverkeer (FM nr. 174) 2022/A.2.10
A.2.10 Hoge Raad 15 november 2013, Fins beleggingsfondsarrest
Documentgegevens:
Dr. E.A.P. Schouten, datum 01-01-2022
- Datum
01-01-2022
- Auteur
Dr. E.A.P. Schouten
- JCDI
JCDI:ADS634860:1
- Vakgebied(en)
Pensioenen (V)
Belastingrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Belanghebbende, een in Finland gevestigd ‘open-end’ beleggingsfonds zonder rechtspersoonlijkheid, heeft dividenden ontvangen van Nederlandse vennootschappen, waarop dividendbelasting is ingehouden. In Finland is belanghebbende vrijgesteld van winstbelasting, zodat hij deze dividendbelasting niet kon verrekenen. Indien belanghebbende in Nederland zou zijn gevestigd, zou hij onderworpen zijn aan vennootschapsbelasting. Verder staat vast dat de vrijstelling die belanghebbende in Finland geniet, niet afhankelijk is van het uitdelen van de behaalde winst aan zijn aandeelhouders. In geschil is of aan belanghebbende terecht teruggaaf van de ingehouden dividendbelasting is geweigerd. Naar het oordeel van het hof vormt de weigering van teruggaaf een willekeurige indirecte discriminatie, dan wel een verkapte beperking die een schending van het vrij verkeer van kapitaal inhoudt.
Het beleggingsfonds claimde teruggaaf op basis van artikel 10, lid 1 Wet DB 1965. De beslissing van de Hoge Raad over dit artikel omvat drie stappen.1
De eerste stap bevat de Europeesrechtelijke component. In r.o. 3.3 overweegt de Hoge Raad “dat voor de vaststelling of een lidstaat bij de wetgeving betreffende inhouding van belasting over bepaalde baten vennootschappen uit een andere lidstaat discrimineert, in het algemeen niet van belang is hoe die baten door die andere lidstaat fiscaal worden behandeld. Een lidstaat behoeft bij de belastingheffing niet (automatisch) een door een andere lidstaat aan een in die andere lidstaat gevestigde vennootschap verleende fiscale faciliteit over te nemen”. Met andere woorden, het Unierecht schrijft niet voor dat Nederland de onderhavige Finse subjectieve vrijstelling zonder meer ‘importeert’. Dit impliceert dat Nederland zijn eigen regels mag hanteren voor de vaststelling welke lichamen hij subjectief vrijstelt. De omstandigheid dat belanghebbende in Finland is vrijgesteld van winstbelasting maakt dus niet dat hij reeds op die grond vergelijkbaar is met een Nederlandse rechtspersoon die niet onderworpen is aan vennootschapsbelasting.
De tweede stap betreft de vraag of belanghebbende naar Nederlandse fiscale maatstaven behoort tot de categorie subjectief vrijgestelden, bezien in het licht van de daarmee nagestreefde doelstelling. Volgens de Hoge Raad is die vrijstelling uitsluitend bedoeld voor lichamen die daar vanwege hun activiteiten en/of de bestemming van hun winst voor in aanmerking komen.
Uitsluitend voor dergelijke lichamen beoogt artikel 10, lid 1 Wet DB 1965 de subjectieve vrijstelling in de vennootschapsbelasting uit te breiden naar de dividendbelasting, aldus de derde stap van de Hoge Raad. Omdat belanghebbende niet tot de categorie subjectief vrijgestelden kan worden gerekend (stap 2), komt hij evenmin in aanmerking voor de teruggaafregeling (stap 3). Met andere woorden: belanghebbende zou, als hij in Nederland was gevestigd, wel onderworpen zijn aan vennootschapsbelasting. Daardoor behoort hij niet tot de groep waarvoor de tegemoetkoming is bedoeld. Hierin ligt geen discriminatie besloten.
De Hoge Raad beperkte zich in het onderhavige arrest tot een oordeel over artikel 10, lid 1 Wet DB 1965 en ging niet in op lid 3 van dit artikel2. Volgens Egelie is dus op zijn minst onduidelijk of een lichaam dat in het thuisland niet subjectief is vrijgesteld, maar dat bij veronderstelde vestiging in Nederland wel zou zijn, met meer succes de toets van objectieve vergelijkbaarheid zal weten te doorlopen (in welk geval vermoedelijk moet worden bezien of een alsdan resulterend nadeel door verrekening in het thuisland rechtsgeldig wordt geneutraliseerd).