De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen
Einde inhoudsopgave
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/51:51 De voorlopers van de beloningsconsultant
De bezoldiging van bestuurders van beursgenoteerde vennootschappen (IVOR nr. 113) 2018/51
51 De voorlopers van de beloningsconsultant
Documentgegevens:
mr. E.C.H.J. Lokin, datum 01-04-2018
- Datum
01-04-2018
- Auteur
mr. E.C.H.J. Lokin
- JCDI
JCDI:ADS367820:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Corporate governance
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Patton 1961, p. 3.
Baker 1938.
Baker 1938, p. 2.
Deze rechtszaken zal ik uitgebreid bespreken in hoofdstuk 31.
Zie o.a. Heller v. Boylan, 29 N.Y.S.2d 653, 679-680 (N.Y. Misc. (Sup. Ct.) 1941). Baker verwijst tevens naar de ‘vage’ rule of reason uit Gallin v. National City Bank, 152 Misc. 679, 273 N.Y.S. 87, June 15 (1934), 703, 114. Baker 1938.
Washington 1942.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
De transformatie van de samenstelling van de bezoldiging van bestuurders in de periode 1940-1975 is onder meer toe te schrijven aan de opkomst van de beloningsconsultant. Voor de jaren ’50 is de belangstelling voor de bezoldiging van bestuurders vanuit commercieel perspectief beperkt. Dit is ook wel te begrijpen. Gedurende de oorlogsjaren zijn bestuurders voornamelijk bezig met de productieproblemen voor de oorlogsindustrie. Salarissen zijn bevroren en de patriottistische gedachte in de tijd is “hold the line and keep faith with the boys overseas”.1 Vraagstukken omtrent de bezoldiging van bestuurders worden binnen ondernemingen op de lange baan geschoven. Het gebrek aan vraag vanuit ondernemingen zorgt voor het uitblijven van aanbod door externe partijen. Er zijn in die tijd dan ook weinig beloningsexperts die hun kennis op commerciële wijze exploiteren. Wel treedt er in die periode een bewustzijn op om kennis over de bezoldiging van bestuurders toegankelijk te maken voor de praktijk.
Een voorbeeld van één van de eerste ‘beloningsexperts’ is John Calhoun Baker van de Harvard Business School die in 1938 het boek “Executive Salary and Bonus Plans” publiceert.2 Baker publiceert zijn uitgebreide werk over de bezoldiging van bestuurders niet alleen vanwege een wetenschappelijke aspiratie, maar tevens “for the use of directors and other corporate officers to aid in solving many of the involved problems pertaining to the payment of executives”.3 Door de afwezigheid van bezoldigingsdata ontbreekt het veelal aan informatie voor boards om hun eigen bezoldigingspraktijk te toetsen aan de praktijk binnen hun industrie. Baker hoopt met zijn boek deze boards van dienst te zijn.
Het doel van het werk van Baker blijft overigens niet beperkt tot het helpen van de top van de onderneming. Hij hoopt tevens een maatstaf aan te reiken aan rechtbanken waaraan bezoldigingsplannen getoetst kunnen worden (en daarmee tevens advocaten van dienst te zijn). Tijdens allerlei rechtszaken in de jaren ’30 wijzen rechtbanken op de afwezigheid van bezoldigingsdata om te kunnen beoordelen of een bepaalde aangevochten bezoldiging gebruikelijk is of niet.4 Zij beklagen zich over het ontbreken van een objectieve maatstaf waaraan de bezoldiging van bestuurders kan worden getoetst.5 Deze omissie probeert Baker met zijn werk op te vullen. Het pionierswerk van Baker moet dan ook licht scheppen in de donkere wereld van bestuurdersbezoldigingen zowel voor de wetenschap als voor de rechterlijke macht als voor het bedrijfsleven.
Een tweede bezoldigingsexpert uit die tijd is professor George T. Washington van Cornell University. Washington publiceert in 1942 zijn werk ‘Corporate Executives’ Compensation’, waarin hij onder meer modellen weergeeft van winstdeling- en optiecontracten.6 Het werk van Washington richt zich al meer op het adviseren over bestuurdersbeloningen en het opstellen van bezoldigingscontracten voor de praktijk. Washington beperkt zich daarbij voornamelijk tot de juridische kant van het vastleggen van de bezoldiging van bestuurders.