Einde inhoudsopgave
Nemo tenetur in belastingzaken (FM nr. 150) 2017/15.4.3.4.2
15.4.3.4.2 Formeel en feitelijk verhoor
Mr. L.C.A. Wijsman, datum 27-11-2016
- Datum
27-11-2016
- Auteur
Mr. L.C.A. Wijsman
- JCDI
JCDI:ADS492328:1
- Vakgebied(en)
Belastingrecht algemeen / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
In de Awb ontbreekt een formele regeling voor de oproeping voor verhoor. Zie § 15.4.3.5 hierna.
Zie Haas/Jansen 2010, p. 120.
Vgl. de uitspraak van Hof ’s-Gravenhage in HR 22 juni 2007,BNB 2007/292 (m.nt. De Bont). In het arrest verwerpt het hof de stelling van de belanghebbende dat de inspecteur bij de aanvang van een gehouden hoorgesprek had verzuimd de cautie te geven en dat hij aldus in strijd met art. 67l, lid 2 AWR respectievelijk § 3, lid 4 BBBB 1998 had gehandeld. Gesteld noch gebleken is dat destijds sprake was van een verhoor in de zin van art. 67l AWR.
Zie Jansen, noot onder CBb 2 februari 2010, AB 2010/317, pt. 5, die meent dat het begrip ‘verhoor’ dat aan art. 5:10a Awb ten grondslag ligt, gelet op de nauwe aansluiting bij het strafrecht die door de wetgever is beoogd, op dezelfde wijze als in het strafprocesrecht het geval is, moet worden uitgelegd. ‘Verhoor’ is dan het stellen van vragen aan de overtreder naar diens betrokkenheid bij een beboetbaar feit (analoog aan art. 27 Sv).
Bij een formeel verhoor, dat wil zeggen een verhoor na oproeping door de inspecteur1, is aanstonds duidelijk dat verklaringen worden gevraagd ter voorbereiding van een boetebesluit. Het verhoren van belastingplichtigen door de inspecteur doet zich in de praktijk nauwelijks voor.2 Gelet op vorenstaande kan ook zonder oproeping sprake zijn van een verhoor in de zin van art. 5:10a Awb. Dergelijke (feitelijke) verhoorsituaties zullen zich vooral voordoen wanneer de inspecteur lopende een ‘normaal’ toezichtsonderzoek ex art. 47 e.v. AWR naast heffingsvragen ook boetevragen aan de betrokkene stelt.3 Bijvoorbeeld tijdens een (telefoon)gesprek of in een vragenbrief. Ook andere situaties zijn denkbaar. Vgl. de hoorplicht bij zware boetes op de voet van art. 67pa AWR jo. art. 5:53, lid 3 Awb, op grond waarvan de boeteling in de gelegenheid wordt gesteld om zijn zienswijze op de tegen hem ingebrachte beschuldigingen naar voren te brengen voordat aan hem een boete wordt opgelegd. Voorstelbaar is dat de inspecteur dan (terloops) vragen stelt over de betrokkenheid bij het beboetbare feit.4 Ik wijs in dit verband ook op art. 41 AWR. Daarin is vastgelegd dat degene die wordt opgeroepen om de inspecteur mondeling inlichtingen en gegevens te verstrekken en zich voor het onderhoud met de inspecteur laat vertegenwoordigen, desgevraagd gehouden is de vertegenwoordiger te vergezellen.5
Dat (ook) in deze feitelijke verhoorsituaties art. 5:10a Awb toepassing vindt, is mijns inziens buiten twijfel. Was dit anders, dan zou de inspecteur het boeterechtelijk zwijgrecht (en de daarmee verband houdende cautieplicht; zie § 17.3.2 hierna) kunnen frustreren door weg te blijven van een – voor de betrokkene kenbare – verhoorsituatie (na oproeping).
Invulling verhoorbegrip door andere hoogste rechtscolleges
Welke invulling de belastingkamer van de HR aan het verhoorbegrip van art. 5:10a Awb in fiscale boetezaken geeft, is vanwege het ontbreken van uitspraken daarover niet duidelijk. Verwacht mag worden dat zij met een schuin oog zal kijken naar andere hoogste rechtscolleges die over bestuurlijke boetegeschillen moeten oordelen, zoals de CRvB en het CBb. Omdat de wetgever bij de formulering van het boeterechtelijk zwijgrecht aansluiting heeft gezocht bij het strafrechtelijk zwijgrecht in art. 29 Sv, is waarschijnlijk dat de HR ook acht zal slaan op de invulling van het verhoorbegrip in de strafrechtspraak.6 Een dergelijke aansluiting zou in bestuurlijke boetezaken overigens niet voor het eerst zijn.7
Hier past wel de kanttekening dat het strafrechtelijk zwijgrecht op onderdelen verschilt van het boeterechtelijk zwijgrecht (zie § 15.4.4 hierna) en – belangrijker – een opsporingsambtenaar in belastingzaken zijn onderzoek in de regel enkel zal richten op de vaststelling of sprake is van een fiscaal delict (en niet ook de vaststelling van de verschuldigde belasting). Zodoende zal in fiscale strafzaken veel vaker dan in fiscale boetezaken sprake zijn van een voor de verdachte aanstonds kenbare verhoorsituatie. Die mag immers gevoeglijk ervan uitgaan dat alle vragen van de opsporingsambtenaar zijn gericht op opsporing en/of vervolging.