Het besluit van de rechtspersoon
Einde inhoudsopgave
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/V.5:V.5 Intermezzo: de waarde van rechtsbegrippen
Het besluit van de rechtspersoon (VDHI nr. 162) 2020/V.5
V.5 Intermezzo: de waarde van rechtsbegrippen
Documentgegevens:
mr. K.A.M. van Vught, datum 20-11-2019
- Datum
20-11-2019
- Auteur
mr. K.A.M. van Vught
- JCDI
JCDI:ADS178714:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie in dezelfde zin Loth 1990, p. 7 e.v., Vegter 1990, p. 249-250 en Fleuren 2015, p. 574-577.
Meijers 1948, p. 207.
Scholten verlangt van een constructie dat zij de positieve stof dekt, een logische eenheid vormt en esthetisch is. Zie Asser/Scholten Algemeen deel* 1974/13. Met Delvoie, die de criteria van Scholten op het orgaanbegrip loslaat, meen ik dat Scholten impliciet ook een eis van doelmatigheid formuleert. Zie Delvoie 2010, p. 62. De eis van logische eenheid laat ik weg.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Het non-existentiebegrip bestaat en het is springlevend. Zoveel is duidelijk. Toch blijft de vraag waarom non-existentie onder huwelijken, fusies, splitsingen en besluiten nog weleens voorkomt, terwijl niet of nauwelijks van non-existente overeenkomsten of andere rechtshandelingen wordt gesproken. Waarom hanteren het rechtspersonenrecht en het familierecht een begrip dat in vermogensrechtelijke kringen in onbruik is geraakt? Dat verbaast.
Nu is non-existentie niets meer of minder dan een rechtsbegrip. Als bedenksel van het recht heeft zij op zichzelf geen doel. Zij is een hulpmiddel.1 Het heeft dan ook weinig zin om, zoals bij wege van Begriffsjurisprudenz weleens is geprobeerd, vast te stellen of non-existentie een zuiver begrip is. Op die vraag past namelijk geen zinnig antwoord. Een juridische constructie kan niet zuiver (of onzuiver) zijn; zij kan alleen het recht een stukje begrijpelijker maken, een stukje beter hanteerbaar. Of non-existentie een plaats in de privaatrechtelijke begrippenhemel verdient, hangt dus niet van dogmatische of semantische redeneringen af. De vraag is veeleer of het non-existentiebegrip aansluit bij de regels van het huwelijk, de fusie, de splitsing en het besluit.2 Het gaat er tenslotte niet om ‘welke begrippen denkbaar zijn, ook niet welke in de werkelijkheid zich voordoen’, zo schrijft Meijers in zijn Algemene begrippen, ‘maar alleen welke nodig en nuttig zijn voor de formulering en de samenvatting der rechtsregels’.3
Is non-existentie nu nodig en nuttig? Geïnspireerd door Paul Scholten,4 zou ik zeggen dat dat van drie punten afhangt. Ten eerste komt het erop aan of het begrip ‘non-existentie’ de positieve stof dekt, dat wil zeggen een systeem aanbrengt in de geldende regels zonder met die regels in strijd te zijn. Concreet: kan non-existentie de geldende nulliteitenleer verklaren of beter doen begrijpen? Strookt non-existentie met het algemeen vermogensrecht? Ten tweede rijst de vraag of non-existentie daadwerkelijk iets toevoegt, of zij als begrip voldoet aan de eisen van de esthetiek. Verklaart zij iets wat de nietigheid niet kan? Scholten spreekt ook van eenvoud: hoe minder begrippen volstaan, hoe minder ficties vereist, hoe beter.5 Ten slotte moet een constructie doelmatig zijn. Het non-existentiebegrip moet open vragen beantwoorden, en die antwoorden moeten bevredigen.