Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/5.4.4.2.2
5.4.4.2.2 Moet een erbij behorend terrein onbebouwd zijn?
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291298:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Besluit van 19 september 2013, nr. BLKB2013/1686M, V-N 2013/54.15, paragraaf 3.2.3, M.E. van Hilten en H.W.M. van Kesteren, Omzetbelasting, Kluwer: Deventer 2020, p. 310 en C.A. Peeters, Cursus Belastingrecht OB.2.3.1.B.d (online, bijgewerkt t/m 14 februari 2021).
Hof Amsterdam 15 april 2010, nr. 08/00245, V-N 2010/59.21, r.o. 6.4.
HR 12 december 2014, nr. 13/01646, BNB 2015/49, m.nt. Bijl, r.o. 3.4.5.
HR 12 december 2014, nr. 13/01646, BNB 2015/49, m.nt. Bijl, r.o. 3.4.5, HR 5 oktober 2018, nr. 16/04577, BNB 2019/5, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 2.6 en HR 7 december 2018, nr. 17/01767, BNB 2019/27, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 2.3.2.
Hof ’s Hertogenbosch 5 oktober 2006, nr. 03/01019, V-N 2007/28.23.
In soortgelijke zin: Bijl, noot bij HR 12 december 2014, nr. 13/01646, BNB 2015/49BNB 2015/49. Anders: Redactie V-N in haar aantekening bij Hof ’s Hertogenbosch 5 oktober 2006, nr. 03/01019, V-N 2007/28.23 die meent dat de overwegingen van het hof voor zich spreken.
Vgl. HR 16 juni 2017, nr. 16/03358, BNB 2017/169, m.nt. Van Zadelhoff, r.o. 3.3.2 en r.o. 3.3.3.
HvJ EU 18 januari 2018, zaak C-463/16, BNB 2018/119, m.nt. Merkx (Stadion Amsterdam).
HvJ EG 8 juni 2000, zaak C-400/98, V-N 2000/43.17, r.o. 50 en 51 (Breitsohl).
Ook in het Verenigd Koninkrijk lijkt dit in ieder geval tot het einde van de overgangsperiode van de Brexit het beslissende criterium te zijn geweest. In de Notice 742A - Option to tax land and buildings, paragraaf 2.4 wordt het volgende opgemerkt: “Your option to tax will cover the whole of the building, and the land under the building and within its curtilage (the land immediately around the building including, for example, forecourts and yards). (…) If the building stands in a large area of land, the extent of the curtilage (or how far the option to tax extends over the land) depends on how far the services of the building can be utilised. For example, a racecourse grandstand may provide electricity and shelter for stalls, or other facilities, within its peripheral area. An option to tax on the grandstand would extend over the whole area of land that uses the benefits. Equally, an option would normally extend to an area adjacent to a building which is put to a use that is ancillary to the use of the building, such as car parking.” (https://www.gov.uk/guidance/opting-to-tax-land-and-buildings-notice-742a#the-scope-of-an-option-to-tax, geraadpleegd op 22 december 2020).
Dit is af te leiden uit HR 14 oktober 2005, nr. 41.015, BNB 2006/65, m.nt. Van der Paardt, r.o. 3.4 waarin wordt verwezen naar HR 11 februari 1998, nr. 33.031, BNB 1998/151.
HR 16 juli 1993, nr. 29.174, BNB 1993/281, r.o. 3.3.
Art. 3.111 Wet IB 2001. Zie hierover nader: J.P. Boer, ‘Het begrip ‘aanhorigheden’ uitgelegd’, NTFR-B 2020/13.
Art. 15 lid 1, onderdeel p en art. 14 lid 5 WBR.
Uit de in de parlementaire geschiedenis genoemde voorbeelden (zie paragraaf 5.4.4.2.1) zou afgeleid kunnen worden dat een erbij behorend terrein onbebouwd moet zijn. Ook in het beleid van de Staatssecretaris van Financiën en de literatuur wordt hiervan uitgegaan.1 Het uniebegrip ‘bijhorend terrein’ alsmede de Nederlandse definitie van dit begrip in art. 11 lid 5, onderdeel c Wet OB (‘(een) terrein’) dwingen echter niet tot die conclusie. Zoals in paragraaf 5.4.4.2.1 is gememoreerd, heeft Hof Amsterdam de aanwezigheid van ‘bijgebouwen’ geen belemmeringen geacht voor de kwalificatie als bijbehorend terrein.2 De Hoge Raad lijkt in het ‘Golfbaan I-arrest’ echter uit te gaan van een andere rechtsopvatting, aangezien hij hierin oordeelt dat ‘ongeacht de omvang van het bouwwerk of de bouwwerken en ongeacht de verhouding tussen het bebouwde gedeelte en het onbebouwde gedeelte van het terrein, het onbebouwde gedeelte ‘erbij behorend terrein’ kan zijn in de zin van art. 11 lid 5, onderdeel c Wet OB’.3 Hierbij dient overigens te worden opgemerkt dat de Hoge Raad van oordeel is dat een bouwwerk dat dienstbaar is aan de grond, zoals een drainagebuis of een hek rond een weiland, of verwaarloosbare bebouwing, zoals een fundering of transformatorhuisje, niet aan de kwalificatie als onbebouwde grond (en dus een bijbehorend terrein) in de weg staat.4
De uitspraak van Hof ’s Hertogenbosch in de ‘hertenkamp-zaak’ lijkt door dit arrest van de Hoge Raad dan ook achterhaald.5 In deze zaak ging het om de levering van een afgesplitst perceel met daarop een dierenverblijf (een houten schuilhut van circa 25 m2), een betonnen vijver (circa 30 m2) en een opslagschuurtje (circa 15 m2). Dit perceel functioneerde samen met een ander perceel als één (omheind) hertenkamp met een totale oppervlakte van 3700 m2. Hoewel het dierenverblijf en de opslagschuur volgens het hof kwalificeren als een gebouw, merkt het hof de rest van dit perceel niet aan als een terrein dat behoort bij deze opstallen. Volgens het hof behoort dit terrein naar maatschappelijke opvattingen niet bij de opstallen en is het onbebouwde terrein ook niet dienstbaar aan de opstallen. Niet kan worden gezegd dat het onbebouwde terrein opgaat in de functie van het dierenverblijf en/of de opslagschuur. Naar mijn mening had het hof het gehele perceel aan moeten merken als een onbebouwd terrein, omdat de bouwwerken dienstbaar zijn aan de grond. Het laat zich althans moeilijk indenken dat deze bouwwerken zelfstandige betekenis hebben.6
Dat het begrip ‘bijbehorend terrein’ in Nederland beperkt wordt tot onbebouwde terreinen kan naar mijn mening leiden tot een resultaat dat in strijd is met art. 135 lid 1, onderdeel j Btw-richtlijn. Dit laat zich het beste illustreren aan de hand van een voorbeeld. Stel dat een perceel grond wordt geleverd met daarop een oude woning met een tuin en een nieuwe garage. Is in dat geval sprake van de levering van een oude woning met bijbehorend (deels bebouwd en deels onbebouwd) terrein? Of kan de grond niet volledig als een bij de woning behorend terrein worden beschouwd, omdat hierop een nieuwe garage staat die niet dienstbaar is aan de tuin, maar aan de woning? Indien onverkort zou worden vastgehouden aan de eis dat een bijbehorend terrein onbebouwd moet zijn, dan is in dit voorbeeld sprake van een levering die deels vrijgesteld (oude woning met bijbehorende tuin) en deels belast (nieuwe garage, evt. met bijbehorende oprit) is. Hierbij merk ik, wellicht ten overvloede, op dat de vraag of sprake is van een bijbehorend terrein pas opkomt nadat vastgesteld is dat de vastgoedtransactie kwalificeert als één of meerdere leveringen van een gebouw (zie paragraaf 5.4.1).7 Op grond van het Stadion Amsterdam-arrest van het Hof van Justitie dient een (onsplitsbare) levering van het gebouw en het bijbehorend terrein óf belast óf vrijgesteld te zijn.8 Een levering die deels vrijgesteld en deels belast zou zijn, staat ook haaks op het Breitsohl-arrest op grond waarvan de levering een gebouw en een terrein die niet van elkaar te scheiden zijn voor de toepassing van (thans) art. 135 lid 1, onderdeel j Btw-richtlijn als een eenheid moet worden behandeld (zie paragraaf 5.4.1).9
Naar mijn mening dient voor de kwalificatie als ‘bijbehorend terrein’ beslissend te zijn of dit terrein al dan niet zelfstandigheid bezit (zie paragraaf 5.4.4.2.1).10 Het enkele feit dat op een terrein een (bij)gebouw staat, zoals een schuur of garage, brengt niet automatisch met zich dat dit (bebouwde) terrein los van het (hoofd)gebouw wordt of kan worden gebruikt. Op grond van de wettelijke definitie van het begrip ‘erbij behorend terrein’ is deze (richtlijnconforme) uitleg ook mogelijk. Het beslissend achten van de zelfstandigheid van het terrein sluit naar mijn mening ook aan bij de maatschappelijke opvattingen. De Hoge Raad acht de maatschappelijke opvattingen beslissend voor het antwoord op de vraag of een fysiek gescheiden bouwwerk dan wel een deel van een gebouw zich leent voor zelfstandig gebruik.11 Ook in andere belastingen in Nederland wordt die ‘zelfstandigheidsbenadering’ (daarom?) toegepast. Zo worden aanhorigheden bij een woning – de onroerende zaak die behoort bij de woning, in gebruik is bij de woning en dienstbaar is aan de woning12 – voor de eigenwoningregeling in de inkomstenbelasting13 en voor de ‘startersvrijstelling’ en het verlaagde tarief voor de verkrijging van (bepaalde) woningen in de overdrachtsbelasting14 niet als zelfstandige onroerende zaken, maar als een onderdeel van de woning beschouwd. Hoewel hieraan voor de btw geen doorslaggevende betekenis toekomt, is dit een aanwijzing dat ook een bebouwd terrein een eenheid met het hoofdgebouw kan vormen en daarom als een bij dit gebouw behorend terrein moet worden aangemerkt.