Einde inhoudsopgave
Transparante en eerlijke verdeling (Meijers-reeks) 2015/2.2.2
2.2.2 De Unierechtelijke, aanbestedingsrechtelijke transparantieverplichting
A. Drahmann, datum 01-07-2014
- Datum
01-07-2014
- Auteur
A. Drahmann
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Besluit (algemeen)
Voetnoten
Voetnoten
HvJ EG 25 april 1996, C-87/94.
HvJ EG 18 november 2009, C-275/98.
HvJ EG 7 december 2000, C-324/98.
HvJ EG 21 juli 2005, C-231/03.
HvJ EG 13 oktober 2005, C-458/03.
Interpretatieve mededeling van de Europese Commissie over de Gemeenschapswetgeving die van toepassing is op het plaatsen van opdrachten die niet of slechts gedeeltelijk onder de richtlijnen inzake overheidsopdrachten vallen (2006/C 179/02).
HvJ EG 13 november 2007, C-507/03, NJ 2008/101, m.nt. M.R. Mok.
HvJ EG 18 december 2007, C-220/06, NJ 2008/281.
HvJ EG 21 februari 2008, C-412/04.
HvJ EU 3 juni 2010, C-203/08, AB 2011/17, m.nt. A. Buijze, JB 2010/171, m.nt. C.J. Wolswinkel en NJ 2010/491, m.nt. M.R. Mok.
HvJ EU 9 september 2010, C-64/08, NJ 2010/661.
Stergiou, NtER 2011, p. 77-87. Zie over de transparantieverplichting in het aanbestedingsrecht tevens: Pijnacker Hordijk, Van der Bend & Van Nouhuys 2009, Arrowsmith 2005, p. 191-197 en p. 430-431, Barents & Brinkhorst 2012, p. 628-629.
HR 7 december 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW9231, TBR 2013/33, m.nt. B.J.H. Blaisse-Verkooyen en ECLI:NL:HR:2012:BW9233. Zie tevens HR 9 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1078.
Onderdeel a betreft opdrachten en concessies voor werken die ook binnen de reikwijdte van de aanbestedingsrichtlijnen vallen. Onderdeel b heeft betrekking op opdrachten, concessieovereenkomsten voor werken en prijsvragen beneden de drempel maar met een duidelijk grensoverschrijdend belang. Onderdeel c betreft concessieovereenkomsten voor diensten met een duidelijk grensoverschrijdend belang.
Daarnaast is ook van belang Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten.
Richtlijn 2014/24/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van Richtlijn 2004/18/EG (L 94/65).
Richtlijn 2014/23/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van concessieovereenkomsten (L 94/1).
Daarnaast is ook nog vastgesteld Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren wateren energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/ 17/EG.
Het eerste lid van artikel 18 van Richtlijn 2014/24/EU bepaalt dat aanbestedende diensten ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze behandelen en op een transparante en proportionele wijze handelen. Ook artikel 3 van Richtlijn 2014/23/EU codificeert de transparantieverplichting.
O.a. HvJ EG 7 december 2000, C-324/98 (Telaustria).
O.a. HvJ EG 29 april 2004, C-496/99 (Succhi di Frutta).
O.a. HvJ EU 16 februari 2012, C-72/10 en C-77/10 (Costa en Cifone). In dit arrest wordt ook een koppeling gemaakt met het rechtszekerheidsbeginsel: ’Het rechtszekerheidsbeginsel verlangt daarenboven dat de gevolgen van rechtsregels duidelijk, precies en voorspelbaar zijn, in het bijzonder wanneer die regels nadelig kunnen werken voor particulieren en ondernemingen’.
Buijze 2013, p. 261.
Het legaliteitsbeginsel en het ’vereiste van een voorafgaande algemene regel ten aanzien van burgers belastend overheidsoptreden’ zijn twee van de zes elementen van de rechtsstaatsgedachte, aldus Kortmann 2012, p. 48 en 311-314. Een derde element is de onafhankelijke rechtspraak. De transparantieverplichting draagt bij aan de controleerbaarheid van besluiten van de overheid door die rechtspraak.
O.a. HvJ EG 25 april 1996, C-87/94, Commissie/België (Waalse bussen) en HvJ EG 7 december 2000, C-324/98 (Telaustria).
O.a. HvJ EG 29 april 2004, C-496/99 (Succhi di Frutta) en HvJ EU 16 februari 2012, C-72/10 en C-77/10 (Costa en Cifone).
O.a. HvJ EG 18 oktober 2001, C-19/00 (SIAC Construction) en HvJ EG 29 april 2004, C-496/ 99 (Succhi di Frutta).
O.a. HvJ EG 25 april 1996, C-87/94, Commissie/België (Waalse bussen).
O.a. HvJ EG 25 april 1996, C-87/94, Commissie/België (Waalse bussen).
O.a. HvJ EG 18 oktober 2001, C-19/00 (SIAC Construction).
O.a. HvJ EG 18 oktober 2001, C-19/00 (SIAC Construction).
O.a. HvJ EG 4 december 2003, C-448/01 (Wienstrom).
O.a. HvJ EU 13 april 2010, C-91/08 (Wall). Vgl. ook HvJ EU 19 juni 2008, C-454/06 (Pressetext Nachrichtenagentur).
Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten en Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten.
Artikel 49 en 56 VWEU, voorheen artikel 43 en 49 EG-Verdrag.
Vermeldenswaardig in dit verband is dat richtlijn 2004/18/EG, richtlijn 92/50/EEG heeft vervangen. Deze eerdere richtlijn had eveneens betrekking op de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten. In deze richtlijn was de transparantieverplichting nog niet expliciet gecodificeerd. Desalniettemin heeft het Hof van Justitie toen al geoordeeld dat overheidsopdrachten die binnen de reikwijdte van die richtlijn vielen op basis van het EG-Verdrag aan de transparantieverplichting moesten voldoen (o.a. HvJ EU 7 december 2000, C-324/98).
Zie bijv. ABRvS 23 november 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BU5444.
Zie hierover ook de Conclusie van A-G Bot van 17 december 2009 bij het Betfair-arrest (C-203/08). Vgl. ook HvJ EU 19 juli 2012, C-470/11, AB 2012/324, m.nt. A. Drahmann.
O.a. HvJ EU 14 november 2013, C-221/12, TA 2014/6, m.nt. A. Drahmann en NJ 2014/96, m.nt. M.R. Mok.
ABRvS 9 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2495 en ECLI:NL:RVS:2014:2488.
Steyger, SEW 2014/24, p. 72-74.
O.a. HvJ EU 14 november 2013, C-221/12, TA 2014/6, m.nt. A. Drahmann en NJ 2014/96, m.nt. M.R. Mok.
Manunza 2006, p. 79-80.
Widdershoven 2004, p. 293-327, i.h.b. p. 307-308. Indien de Unierechtelijke transparantieverplichting op rechtstreekse en onvoorwaardelijke wijze toepasselijk wordt gemaakt door het nationale recht dan zal het Hof van Justitie zich ook bevoegd achten om deze verplichting uit te leggen in zuiver interne situaties (aldus o.a. HvJ EU 21 december 2011, C-482/10, AB 2012/254, m.nt. R.J.G.M. Widdershoven).
Hoewel ik me realiseer dat een grote mate van transparantie in bepaalde marktomstandigheden ook nadelige effecten kan hebben voor de mededinging. Zie hierover bijvoorbeeld Estevan de Quesada, PPLR 2014, p. 229-224.
Artikel 49 en 56 VWEU, voorheen artikel 43 en 49 EG-Verdrag.
Artikel 1 lid 2, onder b-d, van Richtlijn 2004/18/EG.
Artikel 4, aanhef en onder 1, van Richtlijn 2006/123/EG.
O.a. ABRvS 25 juni 2014, TBR 2014/133, m.nt. J.C. van Oosten en I.L. Haverkate.
Zie bijvoorbeeld CBb 21 december 2011, AB 2012/63, m.nt. A. Drahmann en J.M.J. van Rijn van Alkemade.
O.a. HvJ EU 22 december 2010, C-338/09 (Yellow Cab).
HvJ EU 19 juli 2012, C-470/11, AB 2012/324, m.nt. A. Drahmann.
HvJ EU 3 juni 2010, C-203/08, AB 2011/17, m.nt. A. Buijze, JB 2010/171, m.nt. C.J. Wolswinkel en NJ 2010/491, m.nt. M.R. Mok.
De transparantieverplichting is voor het eerst in 1995 door het Hof van Justitie in een aanbestedingsprocedure geïntroduceerd in het Waalse Bussen-arrest.1 Sindsdien heeft de transparantieverplichting zich verder ontwikkeld doordat het Hof van Justitie de reikwijdte heeft vergroot en de betekenis heeft geconcretiseerd. Stergiou heeft deze ontwikkeling in drie generaties transparantierechtspraak ingedeeld. De eerste generatie rechtspraak loopt tot 2005 en betreft de vraag in hoeverre bij dienstenconcessies de transparantieverplichting in acht moet worden genomen. Belangrijke arresten hierbij zijn Unitron Scandinavia2, Telaustria3, Coname4 en Parking Brixen.5 De tweede generatie transparantierechtspraak betreft de periode 2006-2008. In deze periode wordt duidelijk dat de transparantieverplichting ook moet worden toegepast bij andere van de aanbestedingsrichtlijnen uitgezonderde overheidsopdrachten, zoals de zogenaamde IIB-diensten en opdrachten onder de drempelwaarde. Hierbij is in het bijzonder de Interpretatieve Mededeling van de Europese Commissie uit 2006 van belang.6 Belangrijke arresten in deze generatie rechtspraak zijn An Post7, Correos8 en Commissie/Italië9. Met de arresten Betfair10 en Engelmann11 is een derde generatie rechtspraak aangebroken waarbij de transparantieverplichting ook is toegepast op vergunningverlening.12 Met de initiatieven om tot een Europese wet bestuursprocesrecht te komen (waarop in paragraaf 12.4.1 wordt ingegaan) is wellicht een nieuwe vierde fase gestart.
De Unierechtelijke transparantieverplichting zoals deze uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie volgt, is door de Hoge Raad in december 2012 als volgt omschreven:
‘Art. 2 van de Richtlijn 2004/18/eg betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten (L 134/114) bepaalt dat aanbestedende diensten ondernemers op gelijke en nietdiscriminerende wijze dienen te behandelen en transparantie in hun handelen moeten betrachten. Het voorschrift is geïmplementeerd in het vrijwel gelijkluidende art. 2 Bao. Het strekt tot codificatie van vaste rechtspraak van het HvJEU dat, wat openbare inschrijvingen betreft, de aanbestedende dienst het beginsel van gelijke behandeling van de inschrijvers moet respecteren, en dat dit beginsel tot transparantie verplicht, opdat de naleving ervan kan worden gecontroleerd (vgl. HvJEU 29 april 2004, C-496/99P, Jur. 2004, p. I-03801, LJN BG2419, Succhi di Frutta, punten 108 en 109). In bedoeld arrest heeft het HvJEU met verwijzing naar zijn eerdere rechtspraak uiteengezet wat de betekenis is van de aan het Europese aanbestedingsrecht ten grondslag liggende beginselen van gelijkheid en transparantie.
De Hoge Raad heeft deze uiteenzetting in zijn arrest van 4 november 2005, LJN AU2806, NJ 2006/204, als volgt samengevat. Het beginsel van gelijke behandeling van de inschrijvers strekt ertoe de ontwikkeling van een gezonde en daadwerkelijke mededinging tussen de aan de aanbestedingsprocedure voor een overheidsopdracht deelnemende ondernemingen te bevorderen, en vereist dat alle inschrijvers bij het opstellen van het in hun offertes gedane voorstel dezelfde kansen krijgen: voor alle mededingers moeten dezelfde voorwaarden gelden. Het transparantiebeginsel strekt, in samenhang daarmee, ertoe te waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door de aanbestedende dienst wordt uitgebannen en impliceert dat alle voorwaarden en modaliteiten van de gunningsprocedure in het aanbestedingsbericht of in het bestek worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze opdat, enerzijds, alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende inschrijvers de juiste draagwijdte kunnen begrijpen en deze op dezelfde manier interpreteren, en, anderzijds, de aanbestedende dienst in staat is om metterdaad na te gaan of de offertes van de inschrijvers beantwoorden aan de criteria welke op de betrokken opdracht van toepassing zijn. Een en ander brengt niet alleen mee dat alle aanbieders gelijk worden behandeld, maar ook dat zij in gelijke mate, mede met het oog op een goede controle achteraf, een duidelijk inzicht moeten hebben in de voorwaarden waaronder de aanbesteding plaatsheeft, zoals de selectiecriteria.
In zijn arrest van 24 januari 2008, C-532/06, Jur. 2008, p. I-00251, LJN BC5729, NJ 2008/307 (Lianakis/Alexandroupolis) heeft het HvJEU de in dit verband op de aanbestedende dienst rustende verplichting aldus verwoord dat een aanbestedende dienst geen afwegingsregels of subcriteria voor de gunningscriteria kan toepassen die hij niet vooraf ter kennis van de inschrijvers heeft gebracht (punt 38).’13
De transparantieverplichting is niet alleen te vinden in jurisprudentie. De verplichting is ook gecodificeerd in Nederland, in de Aanbestedingswet 2012, en in de Europese Unie, in de aanbestedingsrichtlijnen.
In Nederland is de transparantieverplichting gecodificeerd in artikel 1.9 van de Aanbestedingswet 2012. Het eerste lid bepaalt in algemene zin dat een aanbestedende dienst of een speciale-sectorbedrijf transparant moet handelen. Het tweede lid bepaalt dat in ieder geval moet worden zorggedragen voor een passende mate van openbaarheid van de aankondiging van het voornemen tot het plaatsen van een overheidsopdracht of een speciale-sectoropdracht, tot het sluiten van een concessieovereenkomst voor openbare werken of het uitschrijven van een prijsvraag, tenzij een van de uitzonderingen van het derde lid van toepassing is. De reikwijdte van de transparantieverplichting zoals deze volgt uit de hiervoor genoemde jurisprudentie van het Hof van Justitie is gecodificeerd in artikel 1.7 van de Aanbestedingswet 2012.14 Schaarse besluiten, zoals vergunningen, ontheffingen en subsidies, vallen echter niet binnen de reikwijdte van de Aanbestedingswet 2012 en de daarin gecodificeerde transparantieverplichting.
Op Europees niveau is de transparantieverplichting gecodificeerd in richtlijn 2004/18/eg.15 Op grond van artikel 2 van deze richtlijn behandelen aanbestedende diensten ondernemers op gelijke en niet-discriminerende wijze en betrachten zij transparantie in hun handelen. Op 28 maart 2014 zijn nieuwe richtlijnen in het Publicatieblad van de Europese Unie gepubliceerd. Naast een nieuwe richtlijn voor overheidsopdrachten16 is er ook een richtlijn voor concessieovereenkomsten17 vastgesteld.18 Ook in deze richtlijnen is de transparantieverplichting neergelegd.19
A) Doelstellingen en vereisten die voortvloeien uit de transparantieverplichting
Uit de hiervoor genoemde jurisprudentie van het Hof van Justitie kunnen de volgende doelstellingen en vereisten die voortvloeien uit de transparantieverplichting worden afgeleid:
Doelstellingen
het openen van de markt voor mededinging;20
waarborgen dat elk risico van favoritisme en willekeur door bestuursorganen wordt uitgebannen;21
het verzekeren dat elke geïnteresseerde partij (of elke potentiële aanvrager) kan beslissen een aanvraag in te dienen op basis van het geheel van relevante informatie (ook wel omschreven als het waarborgen van de gelijkheid van kansen).22
Volgens Buijze geldt daarnaast op Europees niveau de bevordering van de interne markt en de verdragsvrijheden als overkoepelend principe dat invulling geeft aan de Europese transparantieverplichting.23 Vertaald naar het nationaal niveau kan worden gesteld dat de transparantieverplichting bijdraagt aan de Nederlandse rechtsstaat doordat het willekeurig optreden van de overheid tegengaat en de discretionaire bevoegdheid van het bestuursorgaan afbakent. De transparantieverplichting legt daarnaast de nadruk op het vastleggen van regels voordat tot besluitvorming wordt overgegaan. De transparantieverplichting vertoont daarmee verwantschap met het legaliteits- en rechtszekerheidsbeginsel.24
Vereisten
Aan elke potentiële aanvrager moet een passende mate van openbaarheid worden gegarandeerd: alle potentiële aanvragers moeten vóór de indiening van hun aanvraag kennis kunnen nemen van de criteria waaraan de aanvraag moet voldoen, alsmede van het relatieve belang van elk van deze criteria.25
Alle voorwaarden en modaliteiten van de verdeelprocedure moeten vooraf worden geformuleerd op een duidelijke, precieze en ondubbelzinnige wijze. Hierdoor wordt de discretionaire bevoegdheid van het bestuursorgaan afgebakend. Het bestuursorgaan moet (aan de hand van de door de aanvragers verstrekte inlichtingen en bewijsstukken) in staat zijn om na te gaan of de aanvragen beantwoorden aan de gestelde criteria.26
Alle behoorlijk geïnformeerde en normaal oplettende aanvragers moeten de juiste draagwijdte van de gestelde criteria kunnen begrijpen en deze op dezelfde manier interpreteren.27
Een uiterste datum voor de ontvangst van de aanvragen moet worden gesteld. Hierdoor beschikken alle aanvragers na de bekendmaking van de mogelijkheid om aanvragen in te dienen (de oproep tot mededinging) over evenveel tijd om hun aanvraag voor te bereiden.28
Geen rekening mag worden gehouden met een wijziging in de oorspronkelijke aanvraag van één enkele aanvrager, omdat deze aanvrager dan wordt bevoordeeld tegenover zijn concurrenten.29
Het bestuursorgaan moet de criteria gedurende de gehele procedure op dezelfde wijze uitleggen.30
De criteria moeten bij de beoordeling van de aanvragen op objectieve en uniforme wijze worden toegepast op alle aanvragers.31
Verdeelprocedures moeten op onpartijdigheid kunnen worden getoetst. Hiervoor is het noodzakelijk dat het schaarse besluit wordt gemotiveerd. Het beginsel van gelijke behandeling omvat een verplichting tot transparantie, opdat de naleving ervan kan worden gecontroleerd.32
Wezenlijke wijzigingen van essentiële bepalingen van het schaarse besluit zijn in beginsel niet mogelijk. Een wijziging kan worden aangemerkt als wezenlijk wanneer hierbij verplichtingen worden ingevoerd die, indien zij in de oorspronkelijke verdeelprocedure waren vastgesteld, hadden kunnen leiden tot de keuze van een andere dan de oorspronkelijk uitgekozen aanvraag. Als het bestuursorgaan om bepaalde redenen, nadat het besluit is genomen, bepaalde voorschriften, voorwaarden of verplichtingen wil kunnen wijzigen, dan dient het bestuursorgaan deze aanpassingsmogelijkheid en de wijze van toepassing ervan, uitdrukkelijk te voorzien in het wettelijk voorschrift (of daarop gebaseerde nadere regels) waarop de verdeelprocedure is gebaseerd.33
B) Reikwijdte: zuiver interne situatie
Met betrekking tot de reikwijdte van de transparantieverplichting, wordt er hier reeds op gewezen dat uit jurisprudentie van het Hof van Justitie blijkt dat de transparantieverplichting niet alleen uit de aanbestedingsrichtlijnen34 voortvloeit, maar ook – of zelfs juist – rechtstreeks uit het non-discriminatieverbod zoals dit is neergelegd in het vweu.35 Dat de transparantieverplichting uit het Unierecht voortvloeit, heeft enerzijds een uitbreiding en anderzijds een beperking van de reikwijdte van het vereiste tot gevolg.
De uitbreiding is erin gelegen dat de werkingssfeer niet beperkt is tot de reikwijdte van de aanbestedingsrichtlijnen. Ten onrechte wordt soms aangenomen dat de transparantieverplichting alleen in acht hoeft te worden genomen als sprake is van een opdracht die valt binnen de reikwijdte van richtlijn 2004/ 18/eg. Illustratief in dit verband is de eerste overweging van richtlijn 2014/24/ EU (die richtlijn 2004/18/eg zal vervangen) waarin wordt gesteld dat als overheidsopdrachten worden gegund, de beginselen van het vweu moeten worden geëerbiedigd: ’met name het vrije verkeer van goederen, de vrijheid van vestiging en de vrijheid van dienstverlening, alsmede de daarvan afgeleide beginselen, zoals gelijke behandeling, niet-discriminatie, wederzijdse erkenning, evenredigheid en transparantie.’ Het doel van de richtlijn is dan ook om bepalingen op te stellen die nationale procedures voor aanbestedingen coördineren om te waarborgen dat deze beginselen in de praktijk worden geëerbiedigd en dat overheidsopdrachten worden opengesteld voor mededinging.36 Bovendien blijkt uit jurisprudentie van het Hof van Justitie dat de transparantieverplichting ook relevant is bij concessieovereenkomsten, IIB-diensten en opdrachten die de drempelwaarden niet overschrijden. In hoeverre de transparantieverplichting toegepast moet worden bij vergunning- en subsidieverlening is minder duidelijk. Om deze reden wordt over de reikwijdte van de transparantieverplichting bij vergunning- en subsidieverlening hierna nog nader ingegaan.
De beperking is gelegen in het feit dat het Unierecht in beginsel niet van toepassing is op zuiver interne situaties.37 De vraag wanneer sprake is van een zuiver interne situatie mag niet te terughoudend worden beantwoord.38 Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de transparantieverplichting in acht moet worden genomen wanneer sprake is van een ’duidelijk grensoverschrijdend belang’. Dit duidelijke grensoverschrijdende belang ’kan met name voortvloeien uit het economische belang van de geplande overeenkomst, de plaats van uitvoering ervan (…) of uit de technische kenmerken ervan’.39
De Afdeling heeft in juli 2014 in twee zaken prejudiciële vragen gesteld over, onder meer, de toepasselijkheid van de Dienstenrichtlijn op zuiver interne situaties. Hierbij wordt gevraagd in hoeverre het van belang is of de dienstverrichter zich grensoverschrijdend heeft gevestigd of grensoverschrijdend diensten aanbiedt en of in andere lidstaten gevestigde ondernemingen daadwerkelijke interesse hebben getoond.40 Het antwoord op deze vragen kan ook van belang zijn voor het antwoord op de vraag wie een beroep kunnen doen op de Unierechtelijke transparantieverplichting.
Steyger wijst erop dat Nederlandse rechters behoudend lijken met betrekking tot het vaststellen van een potentiële handelsbelemmering. Volgens haar lijken rechters op het gebied van de interne markt nauwelijks onderzoek te doen naar de potentiële handelsbelemmering: spelen alle feiten zich binnen Nederland af, dan is het vrij verkeer niet van toepassing. Met haar ben ik van mening dat de Nederlandse rechtspraak een beperktere toets lijkt te verrichten dan het Hof van Justitie.41
In dit verband wijs ik in het bijzonder op het arrest van het Hof van Justitie van 13 november 2013 over de toepassing van de transparantieverplichting bij een concessieovereenkomst. Hierin oordeelt het Hof allereerst dat voor het bestaan van een duidelijk grensoverschrijdend belang niet is vereist dat een marktdeelnemer daadwerkelijk belangstelling heeft geuit. Dit geldt in het bijzonder wanneer het geschil betrekking heeft op een gebrek aan transparantie. In een dergelijk geval hebben de marktdeelnemers uit andere lidstaten immers geen reële mogelijkheid gehad om hun belangstelling voor de betrokken concessie te uiten. Daarnaast oordeelt het Hof dat zodra vaststaat dat een bepaalde concessieovereenkomst voor diensten een duidelijk grensoverschrijdend belang heeft, de transparantieverplichting ten aanzien van elke potentiële inschrijver geldt, ook al is deze gevestigd in dezelfde lidstaat als de concessieverlener. Het Hof overweegt ten slotte expliciet dat het Unierecht dezelfde verplichtingen zou opleggen indien in plaats van een concessie een vergunning zou zijn verleend om een economische activiteit uit te oefenen.42 Uit dit arrest kan mijns inziens worden afgeleid dat als een Nederlandse ondernemer kan aantonen dat sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang, de bestuursrechter zal moeten toetsen of bij de verlening van een schaars besluit de transparantieverplichting in acht is genomen. De transparantieverplichting geldt ten aanzien van élke potentiële inschrijver, ook al is deze gevestigd in dezelfde lidstaat als het bestuursorgaan. Manunza gaat zelfs nog een stap verder. Volgens haar is het zonneklaar dat de Verdragsbeginselen, zoals gelijke behandeling en transparantie, in aanbestedingszaken (waarbij zij het begrip ’aanbesteding’ in ruime zin hanteert, waardoor ook schaarse besluiten onder dit begrip vallen) in zuiver interne situaties kunnen worden ingeroepen. Dit komt volgens haar door het specifieke kenmerk van het aanbestedingsrecht en de rol van de transparantieverplichting hierin: als bestuursorganen niet openbaar publiceren, ontnemen zij partijen de kans om voor het schaarse recht in aanmerking te komen en wordt de interstatelijke handel altijd (potentieel) belemmerd dan wel moet het criterium voor de grensoverscheidendheid snel vervuld worden geacht.43
Als geen sprake is van een duidelijk grensoverschrijdend belang en het Unierecht dus niet van toepassing is, kan ’vrijwillige’ adoptie van een Unierechtelijke verplichting plaatsvinden als een lidstaat deze communautaire verplichting een mooie aanvulling acht, of om te voorkomen dat in de nationale rechtsorde twee varianten van dezelfde verplichting moeten worden toegepast.44 Gelet op de hiervoor beschreven doelstellingen van de transparantieverplichting, is verdedigbaar dat de transparantieverplichting een dergelijke aanvulling van het Nederlandse bestuursrecht zou kunnen zijn. Eén van deze doelstellingen is het uitbannen van favoritisme en willekeur door bestuursorganen en het creëren van eerlijke mededinging door het bieden van gelijke kansen aan alle potentieel geïnteresseerde partijen. Deze doelstelling is naar mijn mening niet uitsluitend van waarde in grensoverschrijdende situaties, maar ook bij de verdeling van schaarse rechten in een zuiver interne situatie.45 Bovendien vind ik een dergelijke rechtsongelijkheid tussen Unieburgers, zeker als het een norm als de transparantieverplichting betreft die partijen moet beschermen tegen favoritisme en willekeur van de overheid, moeilijk te rechtvaardigen. Zoals eerder gesteld, beperkt dit onderzoek zich daarom niet tot de vraag wanneer de Unierechtelijke transparantieverplichting in acht moet worden genomen, maar betreft het onderzoek ook de vraag of in zuiver interne situaties de in het Unierecht geformuleerde transparantieverplichting al door de bestuursrechter voldoende wordt geborgd door toetsing aan algemene beginselen van behoorlijk bestuur en de Awb of dat de transparantieverplichting nog van toegevoegde waarde zou kunnen zijn voor het Nederlandse bestuursrecht.
C) Reikwijdte: werken, leveringen en diensten
De Unierechtelijke transparantieverplichting is van toepassing op zowel werken, leveringen als diensten, omdat de transparantieverplichting – zoals hiervoor al is toegelicht – rechtstreeks voortvloeit uit het non-discriminatieverbod zoals dit is neergelegd in het vweu.46
Het onderscheid tussen werken, leveringen en diensten is echter wel van belang voor de vraag of de bepalingen uit Richtlijn 2004/18/eg en Richtlijn 2006/123/eg in acht moeten worden genomen. Richtlijn 2004/18/eg heeft betrekking op het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten. De richtlijn is niet van toepassing op concessieovereenkomsten voor diensten. Bovendien bevat de richtlijn verschillende drempelwaarden voor werken, leveringen en diensten. Voor de vraag of een aanbestedingsprocedure die voldoet aan de eisen van deze richtlijn, moet worden gevolgd, is dus van belang of sprake is van een werk, levering of dienst. Richtlijn 2006/123/eg, de Dienstenrichtlijn, heeft eveneens betrekking op het verrichten van diensten, maar uitsluitend binnen de werkingssfeer van die richtlijn.47
In de richtlijn is een ’werk’ gedefinieerd als ’het product van een geheel van bouwkundige of civieltechnische werken dat ertoe bestemd is als zodanig een economische of technische functie te vervullen’. Een ’levering’ heeft betrekking op de aankoop, leasing, huur of huurkoop, met of zonder koopoptie, van producten. ’Overheidsopdrachten voor diensten’ zijn andere overheidsopdrachten dan overheidsopdrachten voor werken of leveringen, die betrekking hebben op het verrichten van de in bijlage II van richtlijn 2004/18/eg bedoelde diensten.48 Daarnaast is een ’dienst’ in de Dienstenrichtlijn gedefinieerd als ’elke economische activiteit, anders dan in loondienst, die gewoonlijk tegen vergoeding geschiedt, zoals bedoeld in artikel 50 van het Verdrag’.49Artikel 50 van het eg-Verdrag is thans artikel 57vweu. Het artikel bepaalt dat, in de zin van de Verdragen, als diensten worden beschouwd ’de dienstverrichtingen welke gewoonlijk tegen vergoeding geschieden, voor zover de bepalingen, betreffende het vrije verkeer van goederen, kapitaal en personen op deze dienstverrichtingen niet van toepassing zijn. De diensten omvatten met name werkzaamheden: a) van industriële aard, b) van commerciële aard, c) van het ambacht, d) van de vrije beroepen.’
Schaarse besluiten hebben met name, maar niet uitsluitend, betrekking op diensten. Veel besluiten hebben betrekking op het reguleren van dienstenactiviteiten, zoals de in de inleiding genoemde exploitatievergunningen voor rondvaartboten. Ook (schaarse) terrasvergunningen en evenementenvergunningen hebben betrekking op dienstverrichting. Het verlenen van een ontheffing aan een supermarkt voor een zondagopenstelling op grond van de Winkeltijdenwet kan echter worden gekwalificeerd als het reguleren van het vrije verkeer van goederen, omdat de vrijheid van diensten ondergeschikt is aan het vrije verkeer van goederen.50 Een subsidie voor het bouwen van een integraal duurzame stal kan worden aangemerkt als een subsidie ten behoeve van het realiseren van een werk.51 Op de vraag of een subsidie onder omstandigheden kan worden aangemerkt als een opdracht (voor bijvoorbeeld een werk of dienst) wordt ingegaan in hoofdstuk 7. Voor het onderscheid tussen vergunningen en concessies (voor met name diensten) verwijs ik naar hoofdstuk 5 of 6.
D) Reikwijdte: verhouding tot ’gewone’ vergunningen
Ter voorkoming van misverstanden wijs ik er ten slotte op dat ook bij de verlening van ’gewone’, niet-schaarse vergunningen Europese randvoorwaarden gelden. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie kan een stelsel van een voorafgaande administratieve vergunning geen rechtvaardiging vormen voor een discretionair optreden van de nationale autoriteiten waardoor de Unievoorschriften, met name die betreffende een fundamentele vrijheid als de vrijheid van dienstverrichting, van hun nuttig effect kunnen worden beroofd. Zo’n vergunningstelsel is volgens het Hof slechts gerechtvaardigd indien het is gebaseerd op objectieve, niet-discriminerende en vooraf bekende criteria, die ervoor zorgen dat duidelijke grenzen worden gesteld aan de uitoefening door de nationale autoriteiten van hun beoordelingsbevoegdheid.52 Ook voor ’gewone’ vergunningen wordt deze verplichting gebaseerd op het beginsel van gelijke behandeling en de daaruit voortvloeiende transparantieverplichting. Het doel van de verplichting is echter anders. Bij een ’gewone’ vergunning wordt door het in acht nemen van de transparantieverplichting een grens gesteld aan de uitoefening van de beoordelingsbevoegdheid van de autoriteiten zodat deze niet op willekeurige wijze wordt gebruikt. Om controle van de onpartijdigheid van de vergunningprocedure mogelijk te maken, is het noodzakelijk dat het besluit op een voor het publiek toegankelijke wijze wordt gemotiveerd.53 In het Betfair-arrest,54 waar sprake is van de verlening van een exclusief recht, wordt naast de motiveringsplicht, de nadruk gelegd op de passende bekendmaking vooraf. De transparantieverplichting houdt in dat geval in dat aan elke potentiële inschrijver een passende mate van openbaarheid moet worden gegarandeerd, zodat de vergunningverlening voor mededinging openstaat. Bij een ’gewone’ vergunning speelt dit element van de transparantieverplichting niet, omdat (blijkens het Betfair-arrest) het effect van deze vergunningverlening niet vergelijkbaar is met concessieverlening. Nu dit onderzoek beperkt is tot de verlening van schaarse besluiten, staat de transparantieverplichting zoals geformuleerd in het Betfair-arrest hier centraal.