Einde inhoudsopgave
Schadevergoeding bij de onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens (O&R nr. 126) 2021/7.1
7.1 Inleiding
mr. T.F. Walree, datum 01-02-2021
- Datum
01-02-2021
- Auteur
mr. T.F. Walree
- JCDI
JCDI:ADS267488:1
- Vakgebied(en)
Privacy / Verwerking persoonsgegevens
Voetnoten
Voetnoten
In dit proefschrift bespreek ik de mogelijkheden ten aanzien van aansprakelijkheid wegens een inbreuk op de AVG. Ik laat de vraag rusten of het civiele recht (in het algemeen) een geschikter handhavingsmechanisme is dan handhaving door de toezichthouder op grond van zijn publiekrechtelijke bevoegdheden.
Walree 2017; Van der Linden & Walree 2018; Walree 2018; Walree 2019; Walree & Wolters 2020; Walree 2020.
Dit leerstuk heeft immers betrekking op zowel het causaal verband en de omvang van de schade(vergoeding). Hoewel toepassing van het leerstuk van eigen schuld geen onrechtmatigheid vereist, vertoont het wel een raakvlak met de normschending in die zin dat eigen schuld ook foutief of onzorgvuldig gedrag veronderstelt.
Het onderzoeksthema van dit proefschrift is de schadevergoeding wegens een onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens. Ik ben uitgegaan van de premisse dat een doeltreffende bescherming van persoonsgegevens óók civielrechtelijke handhaving vereist.1 Het recht op schadevergoeding speelt daarin een cruciale rol. Dit gaf aanleiding tot de onderzoeksvraag:
In hoeverre kan het recht op schadevergoeding bijdragen aan de handhaving van het gegevensbeschermingsrecht?
Deze onderzoeksvraag heb ik uitgesplitst in een aantal deelonderwerpen. Zij zijn verwerkt in een zestal publicaties.2 Ik presenteer hieronder mijn bevindingen. Dit doe ik aan de hand van de vereisten van artikel 82 lid 1 AVG. De tekst van dit artikel luidt:
“Eenieder die materiële of immateriële schade heeft geleden ten gevolge van een inbreuk op deze verordening, heeft het recht om van de verwerkingsverantwoordelijke of de verwerker schadevergoeding te ontvangen voor de geleden schade.”
Hieruit volgt dat een drietal vereisten een rol speelt bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van een recht op schadevergoeding:
Er is sprake van ‘een inbreuk op de verordening’, oftewel een onrechtmatige verwerking van persoonsgegevens (paragraaf 2);
‘Eenieder’ lijdt ‘materiële of immateriële schade’ (paragraaf 3);
Een causaal verband (‘ten gevolge van’) tussen de inbreuk en de materiële of immateriële schade (paragraaf 4).
De toerekenbaarheid van de onrechtmatigheid van de verwerking is geen voorwaarde voor een recht op schadevergoeding. Bij een inbreuk op de AVG wordt zij op grond van artikel 82 lid 3 AVG vermoed.3 De toepassing van het leerstuk van de eigen schuld is lastig onder te brengen in één van de drie vereisten en behandel ik daarom afzonderlijk in paragraaf 5.4
Aansluitend op mijn bevindingen geef ik een antwoord op de onderzoeksvraag (paragraaf 6). Vervolgens geef ik in paragraaf 7 drie aanbevelingen aan de Nederlandse rechter en de Uniewetgever. Ik sluit af met enkele afrondende opmerkingen (paragraaf 8).