Einde inhoudsopgave
Vastgoedtransacties in de Europese btw (FM nr. 169) 2021/7.7.6
7.7.6 Conclusie
mr. dr. M.D.J. van der Wulp, datum 01-07-2021
- Datum
01-07-2021
- Auteur
mr. dr. M.D.J. van der Wulp
- JCDI
JCDI:ADS291266:1
- Vakgebied(en)
Toeslagen (V)
Omzetbelasting / Aftrek en teruggaaf
Omzetbelasting / Belastingplichtige en -schuldige
Europees belastingrecht / Belastingen EU
Omzetbelasting / Levering van goederen en diensten
Omzetbelasting / Vrijstelling
Europees belastingrecht / Algemeen
Voetnoten
Voetnoten
Vgl. S. Cnossen, ‘BTW en onroerend goed’, WFR 1995/399, paragraaf 5, S. Cnossen, ‘VAT Treatment of Immovable Property’ in: V. Thuronyi (ed.), Tax Law Design and Drafting (volume 1), International Monetary Fund 1996, p. 11-12, S. Cnossen, Three VAT Studies, Den Haag: CPB Netherlands Bureau for Economic Policy Analysis 2010, p. 77 en R. de la Feria en R. Krever, ‘Ending VAT Exemptions: Towards a Post-Modern VAT’, in: R. de la Feria (ed.), VAT Exemptions. Consequences and Design Alternatives, Alphen aan den Rijn: Kluwer Law International 2013, p. 26.
Om cumulatie van btw te voorkomen, is lidstaten in art. 137 lid 1, onderdeel d Btw-richtlijn de bevoegdheid gegeven belastingplichtigen te laten opteren voor een belaste levering. De huidige optieregeling is geen probaat middel om de strijd met de fiscale neutraliteit weg te nemen.1 In de eerste plaats vanwege het feit dat de optieregeling een facultatieve uitzondering is op de ‘verhuurvrijstelling’ en de lidstaten op grond van art. 137 lid 2 Btw-richtlijn beschikken over een ruime beoordelingsmarge. Hierdoor kan het van lidstaat tot lidstaat verschillen of en, zo ja, onder welke voorwaarden geopteerd kan worden voor de belaste verhuur van onroerend goed. Dit is in strijd met de interneutraliteit. Bovendien kunnen nationale inperkingen van de keuzemogelijkheid, zoals de Nederlandse optievoorwaarde dat de afnemer het gehuurde onroerend goed voor minimaal 90% voor aftrekgerechtigde doeleinden gebruikt, ervoor zorgen dat cumulatie van btw-heffing maar in beperkte mate wordt voorkomen. Een beperking van de optie voor belaste verhuur op basis van de omvang van het aftrekrecht van de huurder zorgt bovendien voor een (potentieel) concurrentieverstorend effect. Voor de potentiële huurder die niet aan deze ‘aftreklat’ voldoet kan het immers voordeliger zijn om te kiezen voor de huur van oud gebouw waarop niet of nauwelijks niet-aftrekbare btw drukt of de koop of financial leasing van een nieuw gebouw met (deels aftrekbare) btw. Bovendien leidt een dergelijke optievoorwaarde ertoe dat de verhuur van soortgelijke onroerende goederen verschillend worden behandeld naar gelang de omvang van het aftrekrecht van de huurder, hetgeen naar mijn mening in strijd is met de concurrentieneutraliteit.