Het algemene opschortingsrecht
Einde inhoudsopgave
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.6.1:3.6.1 Opeisbare verbintenis van de schuldenaar vereist
Het algemene opschortingsrecht (R&P nr. CA27) 2024/3.6.1
3.6.1 Opeisbare verbintenis van de schuldenaar vereist
Documentgegevens:
G.J. Boeve, datum 01-02-2024
- Datum
01-02-2024
- Auteur
G.J. Boeve
- JCDI
JCDI:ADS950341:1
- Vakgebied(en)
Verbintenissenrecht (V)
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Zie § 3.4.3.
Parl. Gesch. BW Boek 6, p. 205.
Zie § 2.4.
Zie ook Hijma & Olthof, Compendium Nederlands vermogensrecht 2023/349; Asser/Sieburgh 6-I 2020/272 en Van Leuken, Van de Moosdijk & Tweehuysen 2017/356 onderdeel a.
Zie over opeisbaarheid § 3.4.3.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Artikel 6:52 lid 1 BW vereist een verbintenis van de schuldenaar. Hoe vanzelfsprekend dat wellicht ook moge zijn, het is voor het algemene opschortingsrecht een essentieel vereiste. Zonder verbintenis behoeft de schuldenaar zich immers niet te verweren met een opschortingsrecht, maar kan hij volstaan met een betwisting van de door zijn wederpartij gestelde vordering op hem.
Bij het vereiste van de verbintenis valt op dat dit redactioneel verschilt van het vereiste van een opeisbare vordering van de schuldenaar op zijn wederpartij. Van deze vordering is in artikel 6:52 lid 1 BW wel bepaald dat die opeisbaar moet zijn.1 Van de verbintenis niet. Toch moet wel worden aangenomen dat de wetgever heeft bedoeld dat ook de verbintenis opeisbaar is. Het algemene opschortingsrecht is een reactie op het handelen van de wederpartij in strijd met de redelijkheid en billijkheid, dat eruit bestaat dat zij zijn schuldenaar tot nakoming zou willen dwingen zonder harerzijds nakoming aan te bieden.2 In het ontwerp-Meijers was in de voorloper van artikel 6:52 BW opgenomen dat de onredelijkheid van het handelen van de wederpartij bestond uit het vorderen van nakoming zonder nakoming aan te bieden.3 Voor het afdwingen of vorderen van nakoming is opeisbaarheid van de verbintenis van de schuldenaar vereist. Daarnaast heeft de schuldenaar geen belang bij een opschortingsrecht als de verbintenis niet opeisbaar is, omdat hij zich dan tegen nakoming kan verweren door te betwisten dat nakoming kan worden afgedwongen.4
Het is aannemelijk dat voor het opeisbaarheidsbegrip in verband met de verbintenis, evenals voor de vereiste opeisbare vordering, dient te worden uitgegaan van een ruime betekenis van dit begrip. Voor zover geen tijd voor nakoming is bepaald kan nakoming van de verbintenis worden gevorderd. De opeisbaarheid van de verbintenis kan ook afhankelijk zijn van de vervulling van een voorwaarde, bijvoorbeeld de voorwaarde dat de wederpartij eerst zelf dient te presteren. In dat geval ontbreekt het de wederpartij aan een opeisbare vordering.5