Einde inhoudsopgave
De kosten van de enquêteprocedure (VDHI nr. 177) 2022/2.6.4.3
2.6.4.3 Beoordelingsfactoren
mr. P.H.M. Broere, datum 12-05-2022
- Datum
12-05-2022
- Auteur
mr. P.H.M. Broere
- JCDI
JCDI:ADS652404:1
- Vakgebied(en)
Ondernemingsrecht (V)
Ondernemingsrecht / Rechtspersonenrecht
Voetnoten
Voetnoten
Zie bijv. OK 5 juli 2010 (r.o. 3.12), JOR 2010/231, m.nt. P.G.F.A. Geerts (KPNQwest); OK 7 juli 2010 (r.o. 3.12), ARO 2010/116 (Meepo).
Zie bijv. OK 27 december 2010 (r.o. 2.3), ARO 2011/8 (LdB Ogilvy & Mather); OK 28 juni 2012 (r.o. 2.10), JOR 2012/320, m.nt. R.P. Jager (Meavita); OK 22 juni 2020 (r.o. 2.4), ARO 2020/127 (SNS); OK 8 maart 2022 (r.o. 2.11), JOR 2022/119, m.nt. P.H.M. Broere (Stichting Omroep Limburg).
Zie bijv. OK 19 december 2005 (r.o. 2.4), ARO 2006/18 (TCA).
Zie bijv. OK 28 juni 2012 (r.o. 2.3-2.4; 2.10), JOR 2012/320, m.nt. R.P. Jager (Meavita).
Zie bijv. OK 8 maart 2022 (r.o. 2.11), JOR 2022/119, m.nt. P.H.M. Broere (Stichting Omroep Limburg).
Zie bijv. OK 27 december 2010 (r.o. 2.3), ARO 2011/8 (LdB Ogilvy & Mather); OK 28 juni 2012 (r.o. 2.10), JOR 2012/320, m.nt. R.P. Jager (Meavita); OK 6 januari 2016 (r.o. 2.5), ARO 2016/29 (Fayrefield).
Zie bijv. OK 27 december 2010 (r.o. 2.3), ARO 2011/8 (LdB Ogilvy & Mather); OK 6 januari 2016 (r.o. 2.5), ARO 2016/29 (Fayrefield); OK 31 mei 2016 (r.o. 2.1-2.2), ARO 2016/141 (Energie Concurrent); OK 28 februari 2017 (r.o. 2.1-2.2), ARO 2017/77 (Celebration); OK 11 mei 2017 (r.o. 2.3), ARO 2017/34 (Hepta G). Zie ook Leidraad, bepaling 4.5.
Zie bijv. OK 27 juni 2018 (r.o. 2.3), JOR 2018/245, m.nt. R.M. Hermans (DeSeizoenen); OK 27 november 2018 (r.o. 2.1-2.3), ARO 2019/33 (Clifden).
Zie bijv. OK 1 juni 2018 (r.o. 2.6), JOR 2018/244, m.nt. R.M. Hermans (Rabat); OK 27 juni 2018 (r.o. 2.3), JOR 2018/245, m.nt. R.M. Hermans (DeSeizoenen).
Zie bijv. OK 13 februari 2012 (r.o. 2.4), ARO 2012/32 (Elpak); OK 28 februari 2017 (r.o. 2.1-2.2), ARO 2017/77 (Celebration); OK 22 juni 2020 (r.o. 2.4), ARO 2020/127 (SNS). Zie ook Leidraad, bepaling 4.5.
Zie bijv. OK 28 juni 2012 (r.o. 2.5; 2.10), JOR 2012/320, m.nt. R.P. Jager (Meavita).
Zie bijv. OK 18 september 2014 (r.o. 2.5), ARO 2014/191 (Body Control Concepts); OK 6 januari 2016 (r.o. 2.5), ARO 2016/29 (Fayrefield); OK 27 januari 2016 (r.o. 2.5), ARO 2016/54 (Xeikon). Dit speelt m.n. bij laat in de onderzoeksfase verzochte verhogingen, gelijktijdig of bijna gelijktijdig met de vaststelling van de kosten van het onderzoek.
OK 23 januari 2008 (r.o. 2), ARO 2008/25 (Masselink).
OK 27 december 2010 (r.o. 2.3), ARO 2011/8 (LdB Ogilvy & Mather).
De Ondernemingskamer motiveert niet altijd waar haar oordeel dat het verhogingsverzoek haar niet onredelijk voorkomt op is gebaseerd.1 Wel gaat zij steeds in op eventuele bezwaren van partijen en betrekt zij bij haar oordeel verschillende omstandigheden: de omvang en complexiteit van het onderzoek,2 van de te onderzoeken onderwerpen3 en van uit de opzet van het onderzoek voortvloeiende werkzaamheden,4 de met het onderzoek gemoeide publieke belangen,5 de inhoud van het onderzoeksverslag (voor zover reeds beschikbaar),6 het declaratieoverzicht en de specificatie van reeds verrichte werkzaamheden en gemaakte (on)kosten van de onderzoeker (par. 2.6.4.5),7 waaronder het uurtarief van de onderzoeker (par. 2.4.2.3),8 het feit dat is voorzien in delegatie van werkzaamheden en het uurtarief van ingeschakelde (hulp)personen (par. 2.4.3.4),9 de aard en omvang van nog te verrichten werkzaamheden van de onderzoeker,10 de toezegging van de onderzoeker geen verdere verhoging van het onderzoeksbudget te verzoeken (par. 2.6.4.4)11 en een door de onderzoeker ten opzichte van zijn declaratieoverzicht gematigd verzoek tot verhoging van het onderzoeksbudget.12
Dat de enquêteprocedure mogelijk op korte termijn wordt beëindigd, doet niet ter zake,13 evenmin als het gegeven dat vertraging van het onderzoek niet is veroorzaakt door de rechtspersoon.14 Bezwaren tegen de werkwijze en verantwoording daarvan door de onderzoeker worden veelal verworpen (par. 2.6.4.2 en par. 2.6.4.5). Ook de vermogenspositie van de rechtspersoon is niet van belang bij de beoordeling van het verhogingsverzoek (par. 2.6.4.6).