Einde inhoudsopgave
Het nieuwe aandelenregime gewikt en gewogen (FM nr. 89) 1999/7.3.6.1
7.3.6.1 Overgang krachtens erfrecht of huwelijksvermogensrecht
E.J.W. Heithuis, datum 01-12-1999
- Datum
01-12-1999
- Auteur
E.J.W. Heithuis
- JCDI
JCDI:ADS456560:1
- Vakgebied(en)
Inkomstenbelasting (V)
Inkomstenbelasting / Aanmerkelijk belang (box 2)
Voetnoten
Voetnoten
Hiervan is onder meer sprake bij het aangaan van een huwelijk zonder huwelijkse voorwaarden, het maken, opheffen of wijzigen van huwelijkse voorwaarden staande het huwelijk op zodanige wijze dat een (gedeeltelijke) huwelijksgemeenschap ontstaat, waartoe de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen worden gerekend, alsmede ontbinding van het huwelijk door echtscheiding.
Hierbij kan onder meer worden gedacht aan de verkrijging bij erfopvolging bij versterf en de verkrijging krachtens een uiterste wil, zoals erfstellingen en legaten.
Memorie van toelichting Tweede Kamer, Kamerstuknr. 24 761, nr. 3, blz. 48.
Sedert 1 januari 1998 kan hieronder tevens het aangaan van een geregistreerd partnerschap ex art. 1:80a BW worden verstaan.
Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad, volgens welke de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen staande de huwelijksgemeenschap, waartoe de aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen behoren, beide echtelieden aangaan - onder meer HR 5 november 1958, BNB 1958/345 en HR 20juni 1963, BNB 1963/313 - worden overdrachten van aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen van de ene echtgenoot aan de andere echtgenoot binnen de huwelijksgemeenschap niet als een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling aangemerkt.
I.J.F.A. van Vijfeijken, Legaat van aanmerkelijkbelangaandelen; een vervreemding?, WFR 1997/6263, blz. 1411 e.v.
HR 12 januari 1955, BNB 1955/80 en HR 10 september 1980, BNB 1980/294.
Op dit uitgangspunt is sedert de invoering van het nieuw Burgerlijk Wetboek per 1 januari 1992 enige onduidelijkheid ontstaan, nu met ingang van deze datum art. 3:186. eerste lid, BW bepaalt dat voor de overgang van het aan ieder der rechthebbenden toekomende deel een levering door de deelgenoten is vereist; onder het oude BW gold dit niet. Ik verwijs naar T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, Fiscale monografie nr. 19, blz. 130, Kluwer, Deventer, 1993; H. Mobach/L.W. Sillevis, Cursus belastingrecht (Inkomstenbelasting), onderdeel 2.4.9,c (oud), Gouda Quint, Deventer en L.W. Sillevis, Nieuw BW, fiscaal ondernemingsvermogen en de scheiding van een civielrechtelijke gemeenschap, Veranderend belastingklimaat, blz. 267 e.v., Nico de Vriesbundel, 1995, Gouda Quint, Arnhem.
Algemeen wordt aangenomen dat verwerping van de nalatenschap of afstand van de huwelijksgemeenschap geen vervreemding inhoudt. In deze zin T. Blokland, Winst uit aanmerkelijk belang, Fiscale monografie nr. 19, 2e druk, blz. 142-143 en blz. 144-145, Kluwer, Deventer, 1993 en J.E.A.M. van Dijck, De aanmerkelijk-belangregeling, Fed fiscale brochures, 6e druk, blz. 197-198, Fed, Deventer, 1995. J.E.A.M. van Dijck verwoordt het t.a.p. treffend: De verwerpende erfgenaam moet in de positie kunnen komen niets met de nalatenschap te maken te hebben. Anders C.M.J. Verbeek, De gevolgen van de verwerping van een nalatenschap voor de heffing van inkomstenbelasting, WFR 1977/5330, blz. 843 e.v.
Aangezien in bovengenoemde situaties van overgangen krachtens erfrecht resp. huwelijksvermogensrecht geen sprake was van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling, ging tot 1 januari 1997 een (deel van de) aanmerkelijkbelangclaim verloren, indien de erfgena(a)m(en) niet zelfstandig volde(e)d(en) aan de aanmerkelijkbelangkwalificatie. De kwaliteit van aanmerkelijkbelang- houder vererfde (en vererft) immers niet. Teneinde een dergelijk lek in de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling te vermijden, bepaalt art. 20a, zesde lid, onderdeel f, Wet IB uitdrukkelijk dat de overgang onder algemene titel, waaronder blijkens de memorie van toelichting de overgang krachtens huwelijksvermogensrecht1 en de overgang krachtens erfrecht2 valt, onder het begrip vervreemding wordt begrepen.3 Dit betekent dat het overlijden van de aanmerkelijkbelanghouder resp. het aangaan van een huwelijksgemeenschap4 door een aanmerkelijkbelanghouder als een (fictieve) vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling moet worden aangemerkt, in beginsel leidend tot winst (of verlies) uit aanmerkelijk belang.5 Voorts ontstond reeds vrij snel na de invoering van de nieuwe aanmerkelijkbelangregeling onduidelijkheid over de vraag of een legaat een vervreemding was voor de aanmerkelijkbelangregeling. Een legaat is immers een verkrijging krachtens erfrecht onder bijzondere titel, zodat niet duidelijk was of een testamentair legaat nu onder het algemene vervreemdingsbegrip van art. 20a, eerste lid, onderdeel b, Wet IB viel dan wel onder de fictieve vervreemding van art. 20a, zesde lid, onderdeel f, Wet IB; het belang betrof de doorschuifregeling van art. 20a, zevende lid, Wet IB (zie hierna).6 Met ingang van 1 januari 1998 heeft de fiscale wetgever het legaat echter uitdrukkelijk opgenomen in art. 20a, zesde lid, onderdeel f, Wet IB, zodat met ingang van deze datum art. 20a, zesde lid, onderdeel f, Wet IB naast de overgang onder algemene titel tevens de overgang krachtens erfrecht onder bijzondere titel bevat. Hieronder valt overigens niet alleen het (testamentair) legaat doch tevens het fideï-commis en de lastbevoordeling. Voorts kan hierbij worden gedacht aan de situatie waarin op grond van een vruchtgebruiktestament een niet-tijdelijk genotsrecht wordt gevestigd ten behoeve van de langstlevende echtgenoot.
Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is een boedelscheiding pas een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling als de gerechtigde tot de onverdeelde boedel minder krijgt toebedeeld dan overeenkomt met zijn aandeel in de onverdeelde boedel en wel ter grootte van dit mindere.7 Van een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling is dus geen sprake voor zover het aantal toebedeelde aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen overeenkomt met de gerechtigdheid tot de onverdeelde boedel.8 De onderbedeelde erfgena(a)m(en) resp. ex-echtgenoot vervreemdt alsdan het met zijn onderbedeling samenhangende deel van de tot het aanmerkelijk belang behorende aandelen, winstbewijzen of schuldvorderingen aan de overbedeelde erfgena(a)m(en) resp. ex-echtgenoot.9 Evenzo is de vestiging van een niet-tijdelijk recht van vruchtgebruik in het kader van de verdeling van een nalatenschap of huwelijksgemeenschap door de gezamenlijke erfgenamen of ex-echtelieden ten behoeve van één hunner een vervreemding voor de aanmerkelijkbelangregeling (art. 20a, eerste lid, onderdeel b, slot, Wet IB).