Einde inhoudsopgave
Generale zekerheidsrechten in rechtshistorisch perspectief (O&R nr. 86) 2015/8.4.3.2
8.4.3.2 De parallel met beslag op vorderingen
mr. V.J.M. van Hoof, datum 01-06-2015
- Datum
01-06-2015
- Auteur
mr. V.J.M. van Hoof
- JCDI
JCDI:ADS417143:1
- Vakgebied(en)
Rechtswetenschap / Rechtsgeschiedenis
Goederenrecht / Zekerheidsrechten
Voetnoten
Voetnoten
HR 17 januari 1902, W. 7710 (Van der Graaf/Gemeente-ontvangen Amsterdam).
HR 2 mei 1924, W. 11251.
HR 7 juni 1929, NJ 1929/1285 (De Staat der Nederlanden/Buitenlandsche Bankvereeniging) m.nt. P. Scholten.
HR 7 juni 1929, NJ 1929/1285 (De Staat der Nederlanden/Buitenlandsche Bankvereeniging) m.nt. P. Scholten.
In zijn conclusie bij HR 7 juni 1929, NJ 1929/1285 (De Staat der Nederlanden/ Buitenlandsche Bankvereeniging) m.nt. P. Scholten.
In zijn noot bij HR 7 juni 1929, NJ 1929/1285 (De Staat der Nederlanden/Buitenlandsche Bankvereeniging).
Als gevolg van deze uitspraak was het object van een zekerheidscessie hetzelfde als het object van een beslag. Artikel 735 Rv bepaalde dat een schuldeiser slechts derdenbeslag kon leggen op gelden die de schuldenaar waren verschuldigd of toebehoorden. Deze formulering sloot beslag op toekomstige vorderingen uit.
In de praktijk bestond er echter behoefte aan de mogelijkheid om loonbeslag te leggen op nog te verschijnen loonvorderingen bij de werkgever. De Hoge Raad heeft deze praktijk gesanctioneerd door te oordelen dat een nog te verschijnen loonvordering reeds bestond.1 Als algemeen criterium formuleerde het college dat de verschuldigdheid van de vordering vast moest staan, ongeacht of de vordering opeisbaar was ten tijde van de beslaglegging. De Hoge Raad herhaalde dit criterium in een uitspraak van 2 mei 1924.2
De Hoge Raad overwoog in het Postchèque- en Girodienst-arrest dat het beslag op het positieve saldo op een rekening van een schuldenaar niet tevens de latere stortingen op de rekening omvatte.3 Volgens het college viel de toename van het saldo niet onder het beslag, omdat de vordering van de schuldenaar op de bank ten tijde van de beslaglegging nog niet tot het vermogen van de schuldenaar behoorde. De schuldeiser kon slechts derdenbeslag leggen op ‘gelden, die aan zijn schuldenaar verschuldigd zijn, dat wil zeggen: op vorderingen, waarvan – onverschillig of reeds dadelijk nakoming kan worden geëischt – de verschuldigdheid tijdens het leggen van het beslag vaststaat en die dus reeds op dat oogenblik deel uitmaken van het vermogen van den schuldenaar.’4 De Hoge Raad hield dus vast aan zijn eigen lijn, terwijl A-G Besier met verwijzing naar Meijers had bepleit dat het beslag ook toekomstige vorderingen moest omvatten, die voortvloeiden uit een reeds bestaande rechtsverhouding. Ter motivering hiervan schreef hij: ‘De ruimere opvatting, welke ook tijdens het beslag nog niet opeischbare inschulden daaronder doet vallen, is niet in strijd met het karakter van een beslag, als zoude dit alleen kunnen omvatten wat reeds tot het vermogen van den schuldenaar behoort. Immers het conservatoir derden-arrest is een middel tot bewaring van recht en met deze strekking van het middel is zeer goed vereenigbaar, dat het den beslaglegger ook de zekerheid geeft, dat wat als bestanddeel van des schuldenaars vermogen nog slechts verwacht wordt, voor hem niet verloren zal gaan.’5 De A-G meende dat de vordering van de zekerheidsgever op de derde-beslagene ten gevolge van de stortingen op de rekening onder het beslag viel.
Scholten bepleitte nog voor het Fijn van Draat-arrest een gelijkstelling van beslag en zekerheidscessie in die zin, dat toekomstige vorderingen zowel bij voorbaat beslagen als bij voorbaat gecedeerd konden worden.6 Volgens hem moest het dan wel om vorderingen gaan die voortvloeiden uit een reeds bestaande rechtsverhouding. De vordering van de rekeninghouder op de Chèque- en Girodienst ten bedrage van de toename van het saldo ten gevolge van de stortingen viel volgens Scholten binnen de bestaande rechtsverhouding en derhalve binnen het beslag.
In HR 25 februari 1932, NJ 1932/301 liet de Hoge Raad het criterium los of een vordering de schuldenaar toebehoorde en stelde daarvoor in de plaats het bestaanscriterium. Volgens de Hoge Raad bestond een vordering ‘indien zij haar onmiddellijken grondslag vindt in een rechtsverhouding, waarin degene, te wiens laste het beslag gelegd wordt, dan reeds staat tot hem, onder wien het gelegd wordt.’ Het college overwoog dat een loonvordering direct voortvloeide uit de arbeidsovereenkomst. Verder ging de Hoge Raad in een overweging ten overvloede nog eens in op het Postchèque- en Girodienst-arrest en overwoog ‘dat zoodanige grondslag niet reeds ligt in een bij het beslag tusschen hen bestaande rechtsverhouding, die voor den derden beslagene de verplichting medebrengt om gelden of goederen, die hij daarna ingevolge anderen rechtshandelingen ten behoeve van den geëxecuteerde onder zich krijgt, aan deze af te dragen.’ Het college heeft deze benadering uiteindelijk overgenomen voor de cessie van vorderingen in het Fijn van Draat-arrest.