Einde inhoudsopgave
De strafbaarstelling van arbeidsuitbuiting in Nederland (SteR nr. 39) 2018/7.2.4
7.2.4 De kinderhandelaar en kinderuitbater
mr. drs. S.M.A. Lestrade, datum 01-01-2018
- Datum
01-01-2018
- Auteur
mr. drs. S.M.A. Lestrade
- JCDI
JCDI:ADS383767:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Economisch strafrecht
Voetnoten
Voetnoten
EHRM 26 juli 2005, Siliadin v. Frankrijk, appl.nr. 73316/01, in het bijzonder r.o. 125.
EHRM 26 juli 2005, Siliadin v. Frankrijk, appl.nr. 73316/01, in het bijzonder r.o. 143-145.
Zie voor de definitie van dwangarbeid EHRM 26 juli 2005, Siliadin v. Frankrijk, appl.nr. 73316/01, r.o. 116, voor slavernij r.o. 122 en voor dienstbaarheid r.o. 123. Zie ook § 4.2.
EHRM 26 juli 2005, Siliadin v. Frankrijk, appl.nr. 73316/01, r.o. 118, 126 en 129.
Zie meer uitgebreid de subparagraaf hierna.
Zie § 3.4.6 en hierna.
De strafbepaling in sub 2 richt zich tot degene die een minderjarige werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt met het oogmerk van uitbuiting of de verwijdering van de organen van die minderjarige. Sub 2 is in 2005 ingevoerd naar aanleiding van de implementatie van het VN Protocol mensenhandel.
Sub 5 stelt strafbaar degene die een minderjarige ertoe brengt zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling of zijn organen tegen betaling beschikbaar te stellen dan wel ten aanzien van een minderjarige enige handeling onderneemt waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat die ander zich daardoor beschikbaar stelt tot het verrichten van die handelingen of zijn organen tegen betaling beschikbaar stelt. Sub 5 is gebaseerd op de oude Nederlandse strafbaarstelling van mensenhandel uit 1994 en naar aanleiding van de implementatie van het VN Protocol mensenhandel uitgebreid met orgaanverwijdering.
De subleden 2 en 5 zijn gericht op kindslachtoffers. De vraag is of ten aanzien van deze groep slachtoffers specifieke verplichtingen gelden in het kader van de mensenrechten. Het EHRM heeft zich hierover uitgelaten in de zaak-Siliadin, waar het ging om het minderjarige slachtoffer Siliadin. Het EHRM haalt daarbij het Aanvullend Verdrag inzake Slavernij uit 1956 aan en stelt dat lidstaten van dit verdrag verplicht zijn alle praktische en noodzakelijke wetgevende en andere maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de exploitatie van kinderen volledig wordt uitgeband.1 Voorts benadrukt het Hof dat kinderen en andere kwetsbare individuen in het bijzonder recht hebben op bescherming van de overheid tegen schendingen van mensen- rechten. Indien fundamentele waarden en essentiële aspecten van het privé leven in het geding zijn, zoals bij een inbreuk op artikel 4 EVRM het geval is, is bescherming via het civiele recht onvoldoende en dient strafrechtelijk te worden opgetreden.2 Uit de uitspraak van het EHRM kan niet worden opgemaakt dat eerder sprake is van slavernij, dienstbaarheid of dwangarbeid bij minderjarige slachtoffers. De definities die het EHRM geeft aan de verschillende praktijken zijn zowel voor volwassenen als voor kinderen hetzelfde.3 Wel wordt nadruk gelegd op het feit dat Siliadin een kwetsbare minderjarige was en dat makkelijk misbruik van haar kon worden gemaakt.4 In die zin kan gesteld worden dat jonge mensen sneller tot slachtoffer kunnen worden gebracht. En dat eerder sprake is van misbruik.
Het mensenrechtelijk kader stelt geen specifieke definitie voor kinderslavernij, -dienstbaarheid of -dwangarbeid. Wel verdienen minderjarigen bijzondere bescherming.
Nederland heeft met de subleden 2 en 5 speciale aandacht gegeven aan kindslachtoffers. Anders dan de volwassen mensenhandel in sub 1, vereist de kindermensenhandel in sub 2 geen beïnvloedingsmiddel: het werven van een minderjarige met het oogmerk van uitbuiting is voldoende. De achterliggende idee is dat door dit verschil nog makkelijker kan worden opgetreden tegen kinderhandelaren. Zoals reeds opgemerkt bij sub 1 en hieronder nog aan de orde zal komen, zorgt het weghalen van dit bestanddeel er mijns inziens niet daadwerkelijk voor dat handelaren sneller kunnen worden aangepakt. Het oogmerk van uitbuiting zal immers toch bewezen dienen te worden en dit zal gepaard gaan met een beïnvloedingsmiddel.5 De differentiatie die is aangebracht tussen sub 1 en 2 toont weliswaar dat speciale aandacht uitgaat naar de bescherming van minderjarige slachtoffers hetgeen tegemoet komt aan internationale mensenrechtenverplichtingen. In de praktijk heeft dit evenwel weinig betekenis.6 Het tweede onderdeel behelst de facto dezelfde gedragingen als het eerste onderdeel. Dit is echter niet problematisch aangezien de mensenrechten niet dwingen tot een bijzondere definitie van kinderslavernij, -dienstbaarheid of dwangarbeid. De conclusie die reeds is gesteld ten aanzien van sub 1 is dan ook van toepassing bij sublid 2: slavernij, dienstbaarheid en dwangarbeid zijn niet expliciet gecriminaliseerd, maar het verbod op deze uitbuitingsvormen valt materieelrechtelijk gezien wel onder de reikwijdte van de bepaling. Indien daarentegen blijkt dat situaties van slavernij, dienstbaarheid en dwangarbeid niet worden aangepakt op grond van (onder andere) dit sublid, bestaat de kans dat het EHRM een schending van artikel 4 EVRM aanwezig acht en alsnog specifieke strafbaarstelling van de drie uitbuitingsvormen vereist.
Sublid 5 heeft een nog ruimer bereik dan sublid 2. Onder de omstandigheden van dit sublid kunnen zich situaties van slavernij, dienstbaarheid en dwangarbeid voordoen. Dergelijke praktijken kunnen zich echter ook voordoen buiten de omstandigheden van sub 5. Zo ziet het sublid niet op overige uitbuiting. Voorts betreft het sublid alleen de dader die een slachtoffer tot betaalde seksuele dienstverlening of orgaandonatie brengt, maar niet de dader die het slachtoffer in een dergelijke situatie houdt of hiervan profiteert, terwijl dit onder omstandigheden wel het geval zou kunnen zijn bij bijvoorbeeld dwangarbeid. Andersom heeft het sublid 5 een breder bereik indien de dader weliswaar een minderjarige beweegt tot prostitutie of orgaandonatie, maar geen sprake is van slavernij, dienstbaarheid of dwangarbeid.
Net zoals bij sub 3 is de slotsom tweeledig: schendingen van artikel 4 EVRM kunnen zowel binnen als buiten de omstandigheden van sub 5 plaatsvinden. Tegelijkertijd is het onderdeel niet beperkt tot situaties van slavernij, dienstbaarheid en dwangarbeid en kan het bereik van de strafbepaling breder uitvallen dan waartoe de internationale mensenrechten dwingen. Sub 5 komt op zichzelf onvoldoende tegemoet aan de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 4 EVRM.