Lokale democratische innovatie
Einde inhoudsopgave
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/10.4:10.4 De begrotingsfuncties en hun betekenis voor de raad en het college
Lokale democratische innovatie (R&P nr. DR2) 2021/10.4
10.4 De begrotingsfuncties en hun betekenis voor de raad en het college
Documentgegevens:
mr. drs. J. Westerweel , datum 01-03-2020
- Datum
01-03-2020
- Auteur
mr. drs. J. Westerweel
- JCDI
JCDI:ADS248561:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen / Algemeen
Staatsrecht / Algemeen
Toon alle voetnoten
Voetnoten
Voetnoten
Poppelaars 2018, p. 81-94.
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Uit het voorgaande blijkt dat het wettelijk kader op dit moment belangrijke beperkingen stelt aan juridisch inhoudelijke participatie van burgers bij het verdelen van publieke middelen in de begroting en de uitvoeringsinformatie. Deze beperkingen kunnen uiteraard door de wetgever worden weggenomen om ruimte te maken voor de ambities van burgerbegrotingen. De vraag is alleen wat voor effect een wijziging zal hebben op de positie die de (Grond-)wet aan de raad en het college in het gemeentebestuur heeft willen toekennen en op de verhouding tussen deze organen. Deze vraag kan het beste worden aangevlogen vanuit de verschillende functies die de begroting vervult voor de gemeentelijke overheid. Uit de plaats die de raad en het college innemen bij deze begrotingsfuncties volgt namelijk wat hun institutionele positie is ten opzichte van elkaar en hoe deze posities zich verhouden tot de ambities van burgerbegrotingen. Aan de hand van deze kennis kan dan vervolgens bepaald worden of een wijziging van het wettelijk kader om ruimte te creëren voor burgerbegrotingen neer zou komen op een praktische of principiële wijziging. Ook kan met behulp van de kennis bepaald worden welke ruimte er wel is of kan worden gecreëerd voor burgerbegrotingen om inhoudelijk betrokken te zijn bij de verdeling van publieke middelen over gemeentelijk beleid.
Vooropgesteld moet worden dat de wetgever in deze kwestie niet altijd eenduidig is geweest en soms zelfs tegenstrijdig. Desondanks is er een ontwikkeling waar te nemen die er grosso modo op neerkomt dat de zeggenschap van de raad over de besteding van middelen in de loop der jaren formeel gezien volledig intact is gebleven, maar materieel gezien heeft ingeboet ten gunste van de positie van het college. Interessant genoeg lijkt daarmee op lokaal niveau een tegenovergestelde ontwikkeling plaats te vinden met betrekking tot het budgetrecht dan op nationaal niveau. Daar is juist sinds de Grondwet van 1848 de tendens geweest richting volledige zeggenschap van het parlement, zowel formeel als materieel.1 Zoals hierna zal blijken, heeft dit verschil gevolgen voor het antwoord op de vraag welke (institutionele) positie de raad en het college met betrekking tot de begroting moeten innemen en hoe burgerbegrotingen zich daartoe mogen verhouden.
10.4.1 De begrotingsfuncties10.4.2 Autorisatie10.4.3 Allocatie10.4.4 Controle en verantwoording