Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming
Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/2.6.1:2.6.1 Juridische concepten: markt en gezag
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/2.6.1
2.6.1 Juridische concepten: markt en gezag
Documentgegevens:
Robert Knegt, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Robert Knegt
- JCDI
JCDI:ADS288510:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
In navolging van het Romeins recht, aan de hand waarvan het academisch recht zich in Europa heeft ontwikkeld, is in veel continentale rechtssystemen een basisonderscheid gehanteerd tussen het (in opdracht) verrichten van een taak (Fr. louaged’ouvrage) en het (onder gezag) verlenen van diensten (Fr. louage de service).1 Met het conceptueel kader van Boltanski & Thévenot in de hand kunnen we vaststellen dat in dit onderscheid de onverenigbaarheid tot uiting komt van twee verschillende normatieve kaders: dat van de markt, dat een zelfstandig opererende ondernemer vooronderstelt, en het ‘huishoudelijk’ (‘domestic’) kader van gezagsrelaties. De kwestie van autonomie in de uitvoering van werk staat niet op zichzelf, maar is verbonden met het aspect van de risicoverdeling. Wie geacht wordt in de orde van de markt te opereren, wordt ook geacht de risico’s zelf te dragen; bij handelen in opdracht van een meerdere ligt de verantwoordelijkheid voor de condities en consequenties van het handelen grotendeels bij de meerdere. In de praktijk kunnen arbeidsverhoudingen meestal onder beide aspecten van dit normatieve onderscheid worden bezien, en daarom is het vaak niet goed mogelijk op die verhoudingen één etiket te plakken. Aan de ene kant laat bijvoorbeeld een liberale marktorde toe dat juridische zelfbepaling gepaard kan gaan met een ondergeschiktheid die resulteert uit (markt)machtsverhoudingen die de zelfbepaling illusoir maken. Anderzijds kan in een hiërarchische verhouding een ondergeschikte over zodanige hulpbronnen (bijvoorbeeld expertise) beschikken dat hij een veel grotere invloed kan uitoefenen op zijn meerdere dan de formeel ondergeschikte positie zou meebrengen.
De vraag hoe arbeidsverhoudingen binnen zulke normatieve kaders gekwalificeerd moeten worden, heeft praktische relevantie voor de toepasselijkheid van het arbeidsrecht en aanverwante (beschermende) regelingen op die verhoudingen. Vanaf de 18e eeuw is dit een steeds terugkerend issue geweest. Begin 20e eeuw werd bepleit de grens vooral niet te eng te trekken. Voor Marius Levenbach, protagonist van het arbeidsrecht in Nederland, hoorde het objectieve karakter van de arbeid doorslaggevend te zijn: het arbeidsrecht hoort van toepassing te zijn op alle arbeid “waarbij de arbeidskracht rechtstreeks voor een ander wordt aangewend, waarbij de arbeidsverrichting niet direct voor de arbeidende persoon zelf geschiedt. Het arbeidsrecht omvat het geheel van de regelingen, die op deze arbeid en de daarmee onmiddellijk samenhangende levensomstandigheden betrekking hebben.”2 Zouden we dit criterium hanteren, dan zou veel kluswerk onder het arbeidsrecht behoren te vallen, maar beleid en recht hebben de laatste twintig jaar in Nederland meer ruimte gecreëerd om werken ‘voor een ander’ met juridische zelfstandigheid te combineren.