Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming
Einde inhoudsopgave
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/2.6.3:2.6.3 Driehoeksverhoudingen en overheidsingrijpen
Platformisering, algoritmisering en sociale bescherming (MSR nr. 78) 2021/2.6.3
2.6.3 Driehoeksverhoudingen en overheidsingrijpen
Documentgegevens:
Robert Knegt, datum 01-05-2021
- Datum
01-05-2021
- Auteur
Robert Knegt
- JCDI
JCDI:ADS288479:1
- Vakgebied(en)
Arbeidsrecht / Algemeen
Sociale zekerheid algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Als in deze strijd een appel werd gedaan op de overheid om regelgevend in te grijpen, was in de 18e of 19e eeuw de juridische (on)zelfstandigheid van werkenden voor de overheid geen reden om ingrijpen bij voorbaat af te wijzen. Wel riep zo’n appel de vraag op hoe de positie van bepaalde groepen werkenden eigenlijk moest worden gekwalificeerd: als zelfstandig of als afhankelijk? In de Duitse wetgeving zijn thuiswerkers meerdere keren met arbeiders (‘allen die produceren zonder zelf te verkopen aan consumenten’) gelijkgesteld. In 1883 introduceerde de Duitse wetgever de categorie van de Hausindustriellen, tussen afhankelijke loonarbeiders en zelfstandigen in.1 In de regulering werd voortdurend geschipperd tussen markttransactie en arbeidsverhouding: enerzijds wordt de werkrelatie voorgesteld als een op het afleveren van één stuk werk gerichte overeenkomst, anderzijds wordt dit idee gelogenstraft door jurisprudentie en wettelijke regelingen die onder meer de ‘opzegging’ van de werkrelatie regelen: beide partijen hebben een opzegtermijn, wie zich daar niet aan houdt moet óf doorgaan met werk leveren óf een schadevergoeding betalen.2
De Verlag-organisatie van de productie leidde ook tot driehoeksverhoudingen, maar van een ander type dan we kennen van platformwerk. De ondernemers/opdrachtgevers probeerden de ambachtsmeester te reduceren tot een toezichthoudend werkmeester, met een reeks gezellen onder zich die het werk deden. Zij construeerden een soort ‘indirecte arbeidsverhouding’ waarbinnen ondernemers dan ook de bevoegdheid claimden in voorkomende gevallen gezellen zelf te ontslaan.3 Een interessante andere variant is dat het gilde zich als een soort intermediair tussen kooplieden en textielwerkers schakelde en zo fungeerde als een ‘platform’ dat niet de opdrachtgevers maar de producenten diende. Doordat de producenten controle hadden over het intermediaire niveau werd de onevenwichtigheid van de machtsverhouding tussen beiden deels gecompenseerd. Zo kwamen er via het gilde collectieve leveringsovereenkomsten tot stand. In de loop van de 19e eeuw verschoof de machtsverhouding en gingen Verleger, naar het voorbeeld van fabrieken, eenzijdig reglementen voor de arbeidsverhouding formuleren. Lange tijd was een juridische toetsing van die reglementen door de rechter niet mogelijk; in Duitsland liet de wetgever deze pas in 1891 toe.4