Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/11.2.9:11.2.9 Remedies bij afgebroken onderhandelingen
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/11.2.9
11.2.9 Remedies bij afgebroken onderhandelingen
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS304229:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Hfdst. 9 behandelt de mogelijke remedies die de teleurgestelde partij bij een vordering uit afgebroken onderhandelingen ten dienste staan. Allereerst is dit de mogelijkheid om de afbrekende partij te dwingen de onderhandelingen voort te zetten.
Een dergelijke vordering zal niet in alle gevallen succesvol zijn. Bijvoorbeeld niet in gevallen van evidente zinloosheid indien vast staat dat de afbrekende partij de onderhandelingen niet zal voortzetten of deze, in geval van voortzetting, zal (blijven) frustreren en in beginsel evenmin in de situatie dat de afbrekende partij inmiddels al met een derde heeft gecontracteerd, zij het dat ik in die laatste situatie die mogelijkheid open wil houden, bijvoorbeeld in gevallen waarin de afbrekende partij de macht over de zaak over de overdracht waarvan werd onderhandeld, zou kunnen herwinnen zonder dat hij daarvoor onredelijke offers moet brengen. Een dergelijke situatie zal zich echter niet snel voordoen.
Een alternatief voor een vordering tot dooronderhandelen betreft de vordering tot schadevergoeding. Voor zover die vordering geënt is op het zich voordoen van rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen, kan gekozen worden uit een vordering tot vergoeding van het negatief contractsbelang of tot vergoeding van het positief contractsbelang. Is de vordering geënt op andere omstandigheden die maken dat het afbreken van de onderhandelingen onaanvaardbaar is, en is geen sprake van rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen, dan komt slechts een vordering tot vergoeding van het negatief contractsbelang in aanmerking.
Ik stel vast dat de jurisprudentie op dit punt echter weinig eenduidig is; in veel gevallen waarin vergoeding van het positief contractsbelang wordt gevorderd, wordt zonder dat daar in alle gevallen een heldere motivering aan ten grondslag ligt, slechts het negatief contractsbelang vergoed, worden soms slechts één of enkele bepaalde kostensoorten vergoed (en dus niet het volledige negatief contractsbelang) en wordt soms in het geheel geen vergoeding opportuun geacht. Dogmatisch zou ik evenwel willen verdedigen dat wanneer als uitgangspunt wordt aanvaard dat onrechtmatige daad heeft te gelden als bron van juridische grondslag voor een vordering uit ongelegitimeerd afgebroken onderhandelingen, vergoeding van het positief contractsbelang het uitgangspunt zou moeten zijn, met dien verstande echter dat indien in voorkomend geval vergoeding van het positief contractsbelang, om welke reden dan ook, niet opportuun wordt geacht, een beroep gedaan kan worden op de regeling van de eigen schuld (art. 6:101 BW), die van de regeling van de toerekening naar redelijkheid (art. 6:98 BW) dan wel de wettelijke matigingsbevoegdheid van art. 6:109 BW.