Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden
Einde inhoudsopgave
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/11.2.7:11.2.7 De zienswijze van de praktijk
Afgebroken onderhandelingen en gebruik voorbehouden (R&P nr. 173) 2009/11.2.7
11.2.7 De zienswijze van de praktijk
Documentgegevens:
mr. M.R. Ruygvoorn, datum 09-06-2009
- Datum
09-06-2009
- Auteur
mr. M.R. Ruygvoorn
- JCDI
JCDI:ADS296957:1
- Vakgebied(en)
Civiel recht algemeen (V)
Verbintenissenrecht (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Teneinde de relevantie van de door mij onderzochte leerstukken (op onderdelen) te kunnen bepalen en teneinde inzicht te verkrijgen in de wijze waarop de rechtspraktijk omgaat met het leerstuk van de afgebroken onderhandelingen en, meer in het bijzonder, om een idee te krijgen van de mate waarin de vigerende jurisprudentie met betrekking tot dit leerstuk aansluit op de wensen van de rechtspraktijk, heb ik in de periode van medio januari 2007 tot en met medio maart 2007 een enquête gehouden onder in totaal 2229 advocaten en 1049 bedrijfsjuristen. 534 Geënquêteerden hebben uiteindelijk gereageerd door middel van het invullen van een van de enquêteformulieren zoals die als bijlage aan dit boek zijn toegevoegd. Eveneens zijn toegevoegd de resultaten van de enquête, uitgesplitst naar de antwoorden van de geënquêteerde advocaten en die van de geënquêteerde bedrijfsjuristen.
Uit het onderzoek komt een aantal interessante gezichtspunten naar voren. Ik noem de belangrijkste:
de vigerende jurisprudentie biedt onvoldoende aanknopingspunten voor de praktijk om in voorkomend geval eenduidig vast te kunnen stellen of onderhandelingen nog eenzijdig, niet-schadeplichtig kunnen worden afgebroken; gerechtvaardigd totstandkomingsvertrouwen zou in de precontractuele fase bij voorkeur in het geheel niet of in elk geval slechts in zeer uitzonderlijke omstandigheden moeten worden aangenomen;
onderhandelingen zouden, in het verlengde van de hieraan voorafgaande bevinding, altijd of slechts in zeer uitzonderlijke gevallen niet meer eenzijdig afgebroken moeten kunnen worden, waarmee de praktijk aangeeft dat de spreekwoordelijke lat voor wat betreft een succesvolle aanspraak uit afgebroken onderhandelingen, bij voorkeur (nog) hoger zou moeten liggen dan in het arrest JPO/CBB;
schadeplichtigheid bij afgebroken onderhandelingen, ook wanneer deze ongelegitimeerd zijn afgebroken, wordt in het algemeen als onwenselijk ervaren; indien en voor zover er sprake is van schadeplichtigheid bij afgebroken onderhandelingen, dan wordt het in het algemeen in elk geval als onwenselijk ervaren dat er alsdan recht zou bestaan op vergoeding van het positief contractsbelang;
in de rechtspraktijk wordt veelvuldig gebruik gemaakt van het "inbouwen" van voorbehouden om op die manier te trachten te ontkomen aan het ontstaan van rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen;
tot de meest gebruikte voorbehouden behoren het voorbehoud van goedkeuring door de raad van commissarissen, het voorbehoud van goedkeuring door de directie, het voorbehoud van een positief advies van de centrale ondernemingsraad en het voorbehoud van goedkeuring door de algemene vergadering van aandeelhouders; en circa de helft van de geënquêteerden is van mening dat op een gemaakt voorbehoud in het kader van onderhandelingen altijd een beroep kan worden gedaan, terwijl de andere helft de mening is toegedaan dat een beroep op een (goedkeurings)voorbehoud alleen mogelijk is indien daarvoor redelijke argumenten bestaan.
Aldus stel ik vast dat met name met betrekking tot het antwoord op de vraag wanneer rechtens relevant totstandkomingsvertrouwen zou moeten worden aangenomen en met betrekking tot het antwoord op de vraag onder welke omstandigheden een beroep op een voorbehoud gelegitimeerd is, de vigerende jurisprudentie en literatuur niet aansluit bij datgene wat de meerderheid van de door mij geënquêteerde praktijkjuristen het meest wenselijk voorkomt, al is met name de rechtspraak sinds het arrest JPO/CBB zeker opgeschoven in de richting van de wensen van de meerderheid van de door mij geënquêteerde juristen.