Einde inhoudsopgave
Individuele straftoemeting in het fiscale bestuurlijke boeterecht (FM nr. 151) 2018/2.9.3.3
2.9.3.3 LAB en VAB: strafverzwarende omstandigheden
mr. I.J. Krukkert, datum 01-02-2018
- Datum
01-02-2018
- Auteur
mr. I.J. Krukkert
- JCDI
JCDI:ADS468059:1
- Vakgebied(en)
Bijzonder strafrecht / Fiscaal strafrecht
Fiscaal bestuursrecht / Boete
Voetnoten
Voetnoten
Ik zal hierbij geen aandacht besteden aan strafverzwarende omstandigheden die slechts een kort beleidsleven waren beschoren. Te denken valt bijvoorbeeld aan de boeteberekening over de top van het progressieve tarief, wanneer slechts een gedeelte van de navorderingsaanslag betrekking had op grofschuldig of opzettelijk handelen (zie par. 14 LAB 1961). Volgens Van Oosterom was deze regeling wat al te zeer aan de ‘fiscale kant’ (Van Oosterom, WFR 1962/250). Uiteindelijk is de berekening over de top vervangen door een berekening naar evenredigheid (zie bijvoorbeeld par. 9, lid 1 VAB 1993). Een ander voorbeeld betreft de passage uit par. 7 LAB 1961 die ziet op een bijzondere soort strafverzwarende omstandigheden, namelijk het in bijzondere gevallen niet toepassen van strafvermindering. I.c. gaat het om het achterwege laten van evenredige vermindering van de verhoging in geval van een vermindering van de belastingaanslag. Het is mij niet duidelijk geworden welke ‘bijzondere gevallen’ een dergelijke strafverhoging zouden rechtvaardigen, waarbij ik aanneem dat men in ieder geval niet het oog had op een vermindering van een belastingaanslag die überhaupt geen onderdeel uitmaakte van de boetegrondslag. Deze strafverzwarende omstandigheid is eveneens vervallen (zie bijvoorbeeld par. 9, lid 2 VAB 1993).
Overigens is het niet zo dat de niet-ordeboeten volgens het VAB 1993 exact complementair is aan de eerdere verzameling van ‘lichte verhogingen’. De lichte verhoging van artikel 22 AWR wordt nl. in par. 23 van het VAB 1993 betiteld als niet- ordeboete. In 1998 is het onderscheid tussen ordeboeten en niet-ordeboeten komen te vervallen en vervangen door het onderscheid tussen verzuim- en vergrijpboeten (zie onderdeel 2.10.2). Dit laatste onderscheid sluit overigens wel weer aan bij de eerdere tweedeling tussen lichte verhogingen (verzuimboeten) en zware verhogingen (vergrijpboeten).
Zie de aantekening bij het VAB 1993 in V-N 1992/3035.
Zie Bijl, WFR 1972/88.
Zie Bijlsma, WFR 1984/497.
De termijn van vijf jaar werd berekend van het begin van het jaar waarover werd nagevorderd of nageheven. Betreft het een tijdstipbelasting dan werd gerekend vanaf het begin van het jaar waarin de naheffingsaanslag werd opgelegd (par. 21, lid 5 VAB 1993).
Met een veroordeling werd gelijkgesteld het vervallen van het recht tot strafvordering als gevolg van het aanvaarden van een transactieaanbod volgens artikel 76, lid 2 AWR, artikel 197 AWDA of artikel 74 Sr (par. 21, lid 5 VAB 1993).
Par. 21, lid 6 VAB 1993.
Par. 21, lid 4 VAB 1993.
Par. 21, lid 6, laatste volzin, VAB 1993.
Par. 20 LAB 1961.
Zie Woelders, WFR 1966/443.
Par. 21 LAB 1961.
Par. 14, lid 1 LAB 1971.
Zie Bijl, WFR 1972/88.
Par. 14, lid 2 LAB 1971.
Het onderscheid tussen het te laat (niet tijdig) doen en het niet doen, wordt gemarkeerd door de dagtekening van de (ambtshalve) aanslag. Een aangifte die wordt ingediend ná de wettelijke indieningstermijn maar vóór de dagtekening van de aanslag wordt in het huidige tijd als een niet tijdig ingediende aangifte aangemerkt. Wordt de aangifte ingediend ná de dagtekening van de (ambtshalve) aanslag of überhaupt niet, dan is sprake van het niet indienen van de aangifte.
In par. 18 LAB 1961 was hiervoor al de opmaat gegeven door de kwijtschelding van de verhoging afhankelijk te maken van de mate van termijnoverschrijding en eventuele recidive in de afgelopen vijf jaren. Zie ook paragraaf 20, lid 3 LAB 1971.
Zie bijvoorbeeld het VAB 1993, par. 18: Bij niet tijdig betalen (o.g.v. artikel 22 AWR) is de reeks als volgt: eerste verzuim: geen boete, tweede verzuim: 1 procent en maximaal ƒ 500, derde en volgende verzuim: 1 procent en maximaal ƒ 10.000. In geval van niet betalen (o.g.v. artikel 21, eerste lid, tweede volzin, AWR) geldt de volgende reeks: eerste verzuim: geen boete, tweede verzuim: 5 procent en maximaal ƒ 1.000, derde en volgende verzuim: 10 procent (zonder maximum).
Zie de Memorie van Antwoord (TK, vergaderjaar 1955-1956, 4080, nr. 5, p. 10).
Ernstige en verhoudingsgewijs omvangrijke fraude en recidive waren en bleven de twee meest evidente strafverzwarende omstandigheden die bij beleid waren omschreven. Beide strafverzwarende omstandigheden waren al opgenomen in onderdeel 7 van de Resolutie van 27 oktober 1954 (zie onderdeel 2.8.4). Door de jaren heen hebben zich echter nog andere (verzamelingen van) omstandigheden bij beleid gemanifesteerd, die mijns inziens als strafverzwarend zijn aan te merken. Hieronder zal ik een overzicht geven van (alle) als strafverzwarend aan te merken omstandigheden.1
a) Ernstige en verhoudingsgewijs omvangrijke fraude
Ernstige en verhoudingsgewijs omvangrijke fraude werkt alleen strafverzwarend ten aanzien van de zware verhogingen van 100 procent (in het VAB 1993 ook wel ‘niet- ordeboeten’ genoemd).2
Tot het verschijnen van het VAB 1993 was de categorie ernstige en verhoudingsgewijs omvangrijke fraude als één geheel gepresenteerd (zie bijvoorbeeld de paragrafen 17 en 26 LAB 1961). Dit had tot gevolg dat kwijtschelding slechts uitbleef, en dus strafverzwarend werkte, wanneer sprake was van én ernstige én verhoudingsgewijs omvangrijke fraude.3 Dit werd vermoedelijk onwenselijk geacht, zodat in het VAB 1993 het mogelijk werd gemaakt dat zowel in geval van ernstige fraude als van verhoudingsgewijs omvangrijke fraude geen kwijtschelding plaatsvond. Ook vermeldt het VAB 1993 een nadere definitie van beide begrippen (paragraaf 21, lid 3 VAB 1993). Onder ‘ernstige fraude’ werden gevallen van listigheid, valsheid en samenspanning en dergelijke verstaan. Van ‘verhoudingsgewijs omvangrijke fraude’ was sprake als het bedrag van de te weinig geheven belasting groot was in verhouding tot het bedrag dat aanvankelijk wel is geheven. Bij het bepalen van de omvang van de fraude kon het tevens van belang zijn dat de belasting niet meer kon worden nagevorderd of nageheven.
b) Recidive
Recidive was als strafverzwarend fenomeen in het fiscale boeterecht al geruime tijd vóór de Resolutie van 27 oktober 1954 een bekend verschijnsel. Zo werd volgens artikel 24 van de Wet op de Personeele Belasting van 1806 degene die voor de tweede keer in de fout ging een verdubbeling van de boete in het vooruitzicht gesteld (zie onderdeel 2.3.3).
De LAB 1961 veronderstelt recidive ten aanzien van de zware verhogingen, indien de belastingplichtige zich ‘in de afgelopen vijf jaar, te rekenen vanaf het begin van het jaar waarover wordt nagevorderd, reeds eerder aan belastingfraude heeft schuldig gemaakt en deswege is veroordeeld of een verhoging heeft belopen’. Deze recidiveregeling werd in de LAB 1971 op twee punten beperkt.4 In de eerste plaats moest sprake zijn van een fraude met betrekking tot dezelfde belastingsoort, terwijl de recidiveregeling van de LAB 1961 veel ruimer was door een eerdere belastingfraude in het algemeen als eis te stellen. In de tweede plaats moest de eerdere verhoging na eventuele kwijtschelding tenminste 25 procent bedragen. In de LAB 1961 werd deze eis niet gesteld; een eerdere verhoging, ongeacht de hoogte, was voldoende. Overigens werd de ruimere recidiveregeling van de LAB 1961 met de inwerkingtreding van de LAB 1984 weer enigszins in ere hersteld door ook vroegere fraude met andere belastingen (wederom) in de recidivebeoordeling te betrekken.5 Het VAB 1993 borduurt hierop voort. Ook nu luidt de hoofdregel dat van recidive sprake is als belastingplichtige in de voorafgaande vijf jaar6 eerder een fout heeft gemaakt met betrekking tot eenzelfde belastingsoort en daarvoor is veroordeeld7 of een verhoging van minimaal 25 procent opgelegd heeft gekregen. In een dergelijk geval werd een verhoging van 100 procent opgelegd. Daarnaast werden voor natuurlijke personen en lichamen de te onderscheiden belastingsoorten omschreven die allen konden meetellen voor recidive (zogeheten ‘kruiselingse recidive’).8 Was sprake van recidive, dan werd de in beginsel belopen verhoging ten hoogste verdubbeld.9 Een verhoging van 25 procent vanwege grofschuldig handelen kon dus in geval van (kruiselingse) recidive niet hoger worden vastgesteld dan 50 procent. Voor het verdubbelen van de verhoging op grond van kruiselingse recidive was overigens vereist dat ter zake van het eerdere vergrijp was medegedeeld dat bij een volgende vergrijp de verhoging verdubbeld kan worden.10 Deze eis werd voor de reguliere recidive met betrekking tot dezelfde belastingsoort niet gesteld.
De inspecteur mocht echter niet eigenstandig overgaan tot verdubbeling uit hoofde van recidive. Dergelijke gevallen moest hij ter beoordeling voorleggen aan de coördinator-AWR of de contactambtenaar AWDA.11
Recidive speelde overigens niet alleen een rol bij de zware verhogingen van 100 procent. Ook bij de lichte verhogingen, de ordeboeten, is de recidive als fenomeen bekend. Zo werd onderscheid gemaakt in de aard van het betaalgedrag in het verleden. Volgens paragraaf 20 LAB 1961 wordt de ondernemer of werkgever die als ‘slechte betaler’ wordt aangemerkt, beboet naar het wettelijk maximum van 10 procent, zonder kwijtschelding.12 Iemand werd als ‘slechte betaler’ betiteld, zowel voor de omzetbelasting als de loonbelasting, indien hem gedurende de periode van 12 maanden tenminste twee keer een aanslag was opgelegd omdat hij de belasting niet had afgedragen.13 Een ondernemer of werkgever die echter níet te boek stond als ‘slechte betaler’ werd niet beboet wanneer het verzuim voor de eerste keer is begaan gedurende een periode van 24 maanden (de zogeheten referentieperiode). Werd een tweede of volgende verzuim begaan gedurende de referentieperiode, zonder dat sprake was van een ‘slechte betaler’, dan werd een boete opgelegd van 5 procent.14 De kwalificatie als ‘slechte betaler’ is niet teruggekeerd in de LAB 1971, vermoedelijk vanwege uitvoeringsproblemen. In plaats daarvan is in de LAB 1971 de volgende verzuimenreeks15 opgenomen, waarbij rekening wordt gehouden met een referentieperiode van 7 tijdvakken, voorafgaand aan het tijdvak waarover men in verzuim is. Is sprake van een eerste verzuim dan wordt geen boete opgelegd; bij een tweede verzuim wordt een boete opgelegd van 5 procent met een maximum van ƒ 250 en een minimum van ƒ 5; in geval van een derde of volgend verzuim was een boete van 10 procent verschuldigd, met een minimum van ƒ 5. 16Overigens werden geen verzuimen in aanmerking genomen die buiten een periode vielen van 24 maanden voorafgaand aan het tijdvak waarover het verzuim was begaan.17
De verzuimenreeksbenadering werd in de LAB 1984 ook toegepast op de boete voor aangifteverzuimen van aanslagbelastingen (artikel 9, lid 3 AWR).18 In het VAB 1993 worden soortgelijke verzuimenreeksen opgenomen (paragraaf 15 VAB 1993: aangifteverzuimen bij aanslagbelastingen; paragraaf 17 VAB 1993: betalingsverzuimen bij aangiftebelastingen).
c) Het niet-doen van aangifte (artikel 9, lid 3 AWR); niet tijdig betalen versus niet betalen
Zoals ik hiervoor heb aangegeven, voorzag het VAB 1993 in een verzuimenreeks voor aangifteverzuimen bij aanslagbelastingen. Deze reeks was echter alleen van toepassing wanneer de aangifte te laat19 was ingediend. Was de aangifte überhaupt niet ingediend, dan kon de belastingplichtige blijkens het derde lid van paragraaf 15 VAB 1993 niet op clementie rekenen en werd de wettelijke verhoging van artikel 9, lid 3 AWR toegepast. Naar mijn mening kan het niet-doen van een aangifte derhalve als een strafverzwarende omstandigheid worden getypeerd.20
Eenzelfde soort onderscheid wordt gemaakt bij het betalen van aangiftebelastingen. De belastingplichtige die de belasting (gedeeltelijk) niet betaalt wordt zwaarder beboet dan degene die de belasting wel aangeeft maar niet tijdig betaalt.21 Dit onderscheid is overigens door de wetgever gemaakt en niet door de beleidsmaker (het verschil in beboeting tussen het niet en niet tijdig doen van aangifte bij de aangiftebelastingen is door de beleidsmaker aangebracht). De wetgever zag het (gedeeltelijk) niet betalen als gevolg van het (gedeeltelijk) niet aangeven (artikel 21, lid 1, tweede volzin, AWR) als een andere gedraging, die zwaarder beboet zou moeten kunnen worden dan het niet tijdig betalen van belasting die wel aangegeven was (artikel 22 AWR).22