De autonomie van de leraar
Einde inhoudsopgave
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.5.2:4.5.2 De overheid, het bevoegd gezag en de leraar
De autonomie van de leraar (SteR nr. 64) 2024/4.5.2
4.5.2 De overheid, het bevoegd gezag en de leraar
Documentgegevens:
J.S. Buiting, datum 07-02-2024
- Datum
07-02-2024
- Auteur
J.S. Buiting
- JCDI
JCDI:ADS949640:1
- Vakgebied(en)
Bestuursrecht algemeen (V)
Deze functie is alleen te gebruiken als je bent ingelogd.
Met het stellen van regels geeft de wetgever op hoofdlijnen aan waar het onderwijs minimaal aan dient te voldoen. Hiermee perkt de wetgever de vrijheid van het bevoegd gezag in om zelf te bepalen hoe hij het onderwijs binnen haar school inricht. De vrijheid van het bevoegd gezag is dan ook het grootst op de terreinen waar de wetgever inactief is.1 De context van het handelen van het bevoegd gezag is echter nooit helemaal regelvrij. Het bevoegd gezag dient te allen tijde de grondrechten van de leerlingen te respecteren en zich te houden aan algemene wetgeving, zoals de Algemene wet gelijke behandeling.
Zelfs op terreinen van het onderwijs waarover de wetgever wel regels heeft gesteld, heeft het bevoegd gezag een zekere mate van autonomie. In de eerste plaats omdat de wetgever terughoudend dient te zijn waar het de inrichtingsvrijheid van het bevoegd gezag betreft (zie hierover uitgebreider § 3.3.2). Aan het bevoegd gezag komt in de tweede plaats een mate van autonomie toe, omdat het onderwijs te complex is om volledig in regelgeving te vatten.2 De wetgever kan niet elk individueel geval voorzien en vooraf bepalen welke beslissing het bevoegd gezag in dat geval dient te nemen. Evenmin kan de wetgever bepalen welke criteria gehanteerd moeten worden bij deze beslissing en hoe deze criteria gewogen dienen te worden door het bevoegd gezag en de leraar. Het bevoegd gezag heeft door de inherente complexiteit van het onderwijs dan ook een zekere mate van beleidsvrijheid waar de wetgever niet aan komt.
Doordat de leraar werkt voor het bevoegd gezag en het bevoegd gezag is onderworpen aan regelgeving en toezicht van de overheid, wordt de autonomie van de leraar door twee lagen van regels beperkt. De eerste laag van regelgeving is de onderwijswetgeving. Binnen de kaders van de onderwijswetgeving kan het bevoegd gezag een tweede laag van regels opstellen waarmee het bevoegd gezag het onderwijs nader inricht. Beide lagen van regelgeving kunnen de autonomie van de leraar aantasten. Echter geldt voor de leraar ook dat hij in elk geval een zekere mate van autonomie heeft, omdat de wetgever én het bevoegd gezag niet met wetgeving en beleid kunnen voorzien in alle situaties die zich in de klas voor kunnen doen. Het is daarom bijvoorbeeld aan de leraar om te bepalen hoe het onderwijsprogramma in de praktijk wordt uitgevoerd en om in te springen op de concrete situaties waar hij in de klas tegen aanloopt met zijn leerlingen.